6 aug 2012

ultrakorte autobio (animatie)

Op 30 december 2011 plaatste ik het gedicht ultrakorte autobio. Ik maakte er (later) een animatie bij met Moviemaker. Het was allemaal wel aardig, maar er klopte iets niet. Ik wist niet precies wat.

Dat weet ik nog steeds niet, maar ik heb het gedicht enigszins herschreven en de animatie opnieuw samengesteld. Op dit moment bevalt het me wel. Benieuwd of dat zo blijft. Zeker omdat de kwaliteit na het uploaden op volledig beeldscherm iets aan de rillerige kant is :)
Een minder rillerige versie kun je hier zien.




5 aug 2012

De Grote Zwemmerik


Inmiddels ben ik er zo op gaan vertrouwen dat alle informatie die ik wel eens nodig zou kunnen hebben, te vinden is op het internet, dat ik enigszins beduusd was, toen ik ontdekte dat het wereldwijde web de Grote Zwemmerik niet kende. De Grote Zwemmerik, een van mijn idolen uit de verdoofde jaren en daarom ook nagenoeg uit mijn eigen geheugen gewist. 

Wat was er gebeurd?
Foto: D. Soli
D. had een foto gemaakt voor haar Blomsterphoto. Twee foto’s van de Panorpa Communis of Schorpioenvlieg. ‘Wat vind je ervan?’ zei ze. ‘Dat is de Grote Zwemmerik’ antwoordde ik. ‘Wat?’ ‘De Grote Zwemmerik!’ en ik typte de woorden meteen in bij Google Afbeeldingen in de vaste overtuiging  haar zo een afbeelding te kunnen laten zien van het wezen dat in mijn hoofd langzaam vanuit de rookwolken van die jaren te voorschijn kwam.
Niks. Google vond helemaal niks. Natuurlijk, tientallen foto’s van zwemmers en van vissen en vissers, maar ook wielrenners, honkballers en andere sporters. Zelfs een foto van een naaimachine kwam ik tegen. Ik was verbaasd. ‘Wacht’ zei ik, ‘ik probeer even de gewone Google.’ Ik las zinnen als: ‘Zelf ben ik een zwemmer. Ik ben een echte doorzetter…” Dan maar alleen het woordje ‘Zwemmerik’: Hier had ik wel beet. Via de site Encyclo.nl en een paar doorklikken kwam ik het woord tegen als Bargoens voor vis. Dat was natuurlijk niet echt verrassend. Maar mijn Grote Zwemmerik kwam niet tevoorschijn.

Arne Zuidhoek, Verzinsels van Vader Wapper
Nou ja, het is natuurlijk ook niet ‘mijn’Grote Zwemmerik. Hij is afkomstig uit het boek De verzinsels van vader Wapper van Arne Zuidhoek (Uitgeverij de Fontein, 1974). Zover was ik intussen gekomen en ik vond verwijzingen naar het boek via allerlei tweedehandsboeken-sites. Het was er dus nog wel, zij het dun gezaaid. Maar dat wist ik ook wel, want ik had het boek thuis. Ik wist precies op welke plank van welke boekenkast het stond. Maar ik kon het niet inzien, want ik was bij D., het was al laat en ik had nog maar een halve fles witte wijn naast me staan. Uitstel, dus.
De volgende dagen vergat ik hem weer. Het leek alsof De Grote Zwemmerik gedoemd was voor eeuwig uit ons collectief geheugen geband te blijven. 


Nu zou ik dit blog kunnen opleuken en tegelijkertijd actualiseren door als volgt verder te gaan:
Een paar dagen geleden lag ik op mijn bank en keek naar de Olympische Spelen. Ik was tijdens het zappen niets interessanters tegengekomen, dus ik bleef maar hangen bij het zwemmen, de honderd meter vrij voor vrouwen. Ranomi Kromowidjojo won en ik dacht aan De Grote Zwemmerik! Ik stond op en nam het boek voor het eerst sinds jaren weer eens uit de kast. Ik zocht de bladzijdes op waarop hij getekend was. Met mijn telefoon maakte ik een paar foto’s en zodoende kan ik de wereld nu (her)voorstellen aan: De Grote Zwemmerik.

De Grote Zwemmerik
Maar zo ging het natuurlijk niet. Op een gegeven moment schoot hij me weer te binnen. Zomaar, zonder duidelijke directe aanleiding. Ik moest even zoeken naar het boek, want het stond toch op een andere plek dan ik gedacht had. Ik vond een paar plaatjes, maar het beste plaatje vond ik niet. Ik herinnerde me daarvan ooit een paar kopieën te hebben gemaakt om als briefkaart te gebruiken. Waarschijnlijk ben ik toen vergeten de pagina weer op de juiste plaats terug te leggen. Maar de foto’s heb ik gemaakt en de naam heb ik nu ook aan de vergetelheid ontrukt en vastgelegd op het www. 

Ik heb een goede daad verricht.

PS Natuurlijk is de Panorpa Communis de Grote Zwemmerik niet. Alleen het hoofd lijkt enigszins. Maar het hoofd van beiden is ook wel een beetje vergelijkbaar met dat van the Great Gonzo uit de Muppet Show. De Panorpa leeft in de lucht, Gonzo leeft voor de showbizz en de Grote Zwemmerik leeft op papier. Tenminste: nu weer wel.



3 aug 2012

Krimi III: Waarom?


Waarom kijk ik krimi’s? Of beter, waarom keek ik krimi’s, want de laatste jaren zie ik er maar zelden. Laat ik maar meteen het antwoord geven op mijn vraag en meteen ook de vervolgvraag over het niet-meer-kijken, die al in de beginzin besloten lag, behandelen.
Ik keek krimi’s uit verveling. Te lui om iets zinnigs te gaan doen. Geen idee, wat ik aan zinnigs kon gaan doen. Argumenten om de tv aan te zetten, maar dan niet het nieuws, geen actualiteitenrubriek, geen mooie documentaire of wat tv nog meer aan zinvols te bieden heeft.
Dat ik nu niet meer kijk, heeft maar zeer ten dele te maken met een gebrek aan verveling, als je dat zo kunt zeggen. Het heeft meer te maken met een andere dagindeling. Krimi’s worden namelijk over het algemeen ’s avonds uitgezonden, maar ’s avonds kijk ik geen tv. Na het journaal verdwijn ik meestal achter mijn laptop en werk nog een beetje of probeer wat te schrijven. Mijn bijkom- of verveelmomenten vallen tegenwoordig in de namiddag. Ik kom thuis van mijn werk, nestel me op de bank en val in slaap bij (de herhaling van) een of andere comedy.

Goed, verveling dus. 

Hoogtepunten van verveling in het begin van de zeventiger jaren waren vaak de zaterdagavonden waarop ik niet kon of wilde uitgaan. Dat was vooral in de vakanties zo, als er geen TBC was, het roemruchte Trefcentrum Bernardinus Clara, een disco voor de leerlingen van de katholieke-jongens- en de katholieke-meisjes-middelbare school van Heerlen. (Leerlingen van het veel kleinere, veel gezelligere, maar niet katholieke Grotius College waren slecht als introducé(e) welkom.)

Op die treurige zaterdagavonden werd er veel tv gekeken. Meestal naar Duitsland 1. Na de laatste Tagesschau en het Wort zum Sonntag was er dan meestal nog wel een of andere(soms nagesynchroniseerde) misdaadfilm te zien. Een krimi dus al denken we bij dat woord natuurlijk in eerste instantie aan Duitstalige films of series. Vaak was dat dan een Edgar-Wallace-verfilming. (In Krimi 1 en Krimi 2 heb ik er meer over geschreven.) Na afloop ging ik dan naar bed met een knagende onbevredigdheid: ik had die avond ongetwijfeld de kans gemist mijn ideale vrouw te ontmoeten. Ik las nog een beetje en viel in slaap in de hoop tot ver in de middag niet wakker te worden, want nog vervelender dan de zaterdagavond was natuurlijk de hele zondag.
Die verveling van die jaren is voor mij blijven kleven aan bijna alle misdaadfilms en –series. Ook omdat je zat te kijken naar een verhaal waarvan je wist dat het (min of meer) goed zou aflopen. De dader werd ontmaskerd en meestal ook gevat. De commissaris, detective of free-lance-misdaadbestrijder streelde zijn eigen ego een beetje en dat was het dan weer.

Peter Falk als Columbo
Uitzonderingen waren er gelukkig ook.  Gelukkig was er Columbo bijvoorbeeld met de onnavolgbare Peter Falk. Of de enige serie waarvoor ik daadwerkelijk thuis bleef: Hill Street Blues (waarbij ik stiekem een beetje verliefd was op Veronica Hamel die de rol speelde van Joyce Davenport die een relatie had met Captain Frank Furillo. Maar dat was alweer jaren later. Die twee series zijn volgens mij nooit te zien geweest op de Duitse tv. En als ze al ooit in een nagesynchroniseerde versie zijn uitgezonden dan ben ik blij dat nooit te hebben moeten meemaken. Ik bedoel, ik houd van de Duitse taal, maar het timbre van Columbo kunnen ze natuurlijk nooit evenaren. 

Götz George
En Schimanski dan? Die was toch zeker geweldig? Jazeker, Schimanski was meestal erg de moeite waard, de wisselwerking met de superduitse Thanner was leuk om te zien. Het sociaal-realisme (zal ik maar zeggen) sprak me erg aan, vooral omdat veel van de andere Tatort-afleveringen speelden in milieus waaraan ik een gruwelijke hekel had. Minder vond ik dan weer de afleveringen waarin Chiem van Houweninge meespeelde (hoewel zijn scenario’s prima waren). Zijn ‘Hänschen’ deed me te veel denken aan de rol die Eddy Arent in de Wallace-verfilmingen speelde. 

Manfred Krug als Liebling (links)
Andere mooie en ietwat afwijkende Duitse krimi’s waren  Liebling, Kreuzberg met Manfred Krug in de rol van een Berlijnse advocaat en (volgens D.) Adelheid und Ihre Mörder. Maar die laatste ken ik nog niet. 

Goed, verveling dus.

Maar waarom keek ik nou naar die krimi’s? Was verveling het enige argument? Of was er ook iets als orde scheppen in de chaos? Ging het ook over schuld en boete? Wat me opvalt, als ik nog eens naar een (Amerikaanse) krimi kijk, is dat er steeds meer gezocht wordt naar dat kleine beetje extra, die afwijking, waardoor het weer interessant zou kunnen worden. Waardoor het uitstijgt boven de gewone rechttoe rechtaan misdaadfilm.  En dan gaan ze (met flashbacks) op zoek naar moordenaars uit een ver verleden, of de hoofdrol zegt helderziende te zijn, of de hoofdrol wordt gespeeld door Dick van Dyke. Het moet ook wel steeds gekker worden, want de gewone misdaad zie je in allerlei realityshows, al dan niet opgenomen met beveiligings- en andere camera’s. 
En dat is natuurlijk het probleem. De werkelijkheid is gruwelijker dan de film. Want in films, zeker in krimi’s, moet er een reden zijn waarom gebeurt, wat er gebeurt. In werkelijkheid is die reden heel vaak zoek.

Naar Krimi I
Naar Krimi II

1 aug 2012

Mother Earth & Tobacco Road


In 1971 hoorde ik de songs voor het eerst. Een vriend met de toepasselijke initialen L.P. had het album gekocht en mij onmiddellijk op de hoogte gesteld. We waren namelijk alle twee grote fans van Eric Burdon. Eerst in combinatie met de (overige) Animals en nu in War. In 1970 kwam de LP Eric Burdon Declares "War" uit, de debuut-LP, maar niet de eerste muziek die ik van hun kende. In december 1970 hadden ze namelijk nog een LP uitgebracht The Black Man´s Burdon en op de een of andere manier had diezelfde vriend die dubbelaar eerder op de kop getikt dan Declares War. Toen ik het bericht van mijn vriend kreeg, laadde ik meteen mijn meer dan levensgrote bandrecorder achter op mijn fiets en liep naar zijn ouderlijk huis. Ook toen werden er natuurlijk al kopieën gemaakt. Geen idee of dat toen legaal was of niet. 

Het bekendste nummer van het album is waarschijnlijk Spill the Wine, dat als single verscheen en een bescheiden hit werd. Naar mijn smaak was het al gauw het slechtste nummer van de vijf, waarschijnlijk net omdat het een hit was. Hits waren toen niet in, in mijn kringen.
Over Spill the Wine ga ik het dan ook niet hebben. Ik ga iets vertellen over Tobacco Road en over Blues for Memphis Slim, Daarbij moet dan aangetekend worden dat Tobacco Road bestaat uit drie delen: Tobacco Road, I Have a Dream en Tobacco Road en Blues for Memphis Slim uit vijf: Birth, Mother Earth, Mr. Charlie, Danish Pastry en Mother Earth.
Ik heb de LP nog steeds (intussen ook de digitale versie) en nog steeds zou  ze heel hoog scoren op mijn lijstje van beste albums ooit, als ik dat soort lijstjes tenminste nog zou maken. Ik geloof dat ik met die vreemde gewoonte heb gebroken toen Declares War niet meer op eenzame hoogte boven alle andere muziek stond. Maar dat heeft jaren geduurd. Het ging zelfs zo ver dat ik de Blues for Memphis Slim op mijn begrafenis of crematie wilde horen. Nou ja, laten horen.
Nu pas realiseer ik me dat ik nabestaanden misschien wel met een probleem had opgezadeld. Ik noemde het nummer namelijk steeds Mother Earth. “Bedoelde hij nou het hele nummer, of alleen deel 2 of misschien deel 5?” Ik bedoelde het hele nummer. Maar het maakt niet meer uit. Al zouden ze – laten we zeggen- André Rieu optrommelen. Ik hoor het toch niet. Eigenlijk is dat trouwens een perfect idee. Laat Rieu maar spelen, dan lig ik extra rustig in mijn kist, blij dat ik niets meer hoef te horen. 

Memphis Slim
Maar goed. Blues for Memphis Slim dus. Memphis Slim was een blues muzikant. Hij werd geboren in Memphis, Tennessee (1915). Zijn eigenlijke naam was John Len Chatman (al ‘ondertekende’ hij zijn nummers steeds met P. Chatman, naar zijn vader Peter). De blues leerde hij kennen door Big Bill Broonzy. De Nederlandse Wikipedia noemt Mother Earth (1950) zijn bekendste nummer.  Maar gezien het aantal covers denk ik eigenlijk dat Everyday I have the Blues (originele titel: Nobody Loves me) die titel meer verdiend.
Op Second Hand Songs vond ik nog een paar versies van Mother Earth. Vooral die van Johnny Winter is de moeite waard. Maar ook die van Cindy Lauper mag er wezen. 
Nog niet vermeld is de versie van Dayna Kurtz en Mamie Minch die je via deze pagina kunt beluisteren. Wie mij kent, zal het niet verbazen dat ik ten sterkste aanraad dat dan ook te doen. 

Een van mijn favoriete nummers komt dus uit een onvervalste blues-hoek. Het andere heeft een country-achtergrond. Tobacco Road namelijk is geschreven (in 1960) door John D. Loudermilk. Zijn naam is, denk ik, (nog) minder bekend dan die van Memphis Slim, maar hij is wel veel vaker gecovered (o.a. Norman door Sue Thompson, Ebony Eyes door de Everly Brothers en het Landgraaf Duo)
.
Tobacco Road is maar liefst 49 keer door anderen op de plaat gezet volgens Second Hand Songs. Maar ik heb er al weer twee bij gevonden op mijn zoektocht voor dit blog. Alleen al Eric Burdon heeft drie versies van de song op zijn conto staan. Een keer met de Animals (niet de originele formatie met Alan Price, Chas Chandler enzovoorts), uiteraard een keer met War, en een keer met de Brian Auger Band (met de intro van Oh Well van Fleetwood Mac).
Ook bij deze song wil ik even wijzen op de versie van Johnny en Edgar Winter. Er bestaat zelf een Italiaanse en een Franse versie van het nummer. De Franse, van Dick Rivers et les Chats Sauvages had ik eigenlijk ook hier willen neerzetten, maar helaas vind ik hem niet meer, ook niet via de link waarmee ik hem laatst ontdekte. Om dat een beetje te compenseren zet ik hier nu maar een link naar een andere cover van die band: Let’s Twist again, al was het maar omdat het filmpje zo leuk is.
Waarom schrijf ik dit allemaal, vraag ik me af. Omdat het leuk is te zien hoe mensen op verschillende manieren met muziek omgaan. Omdat ik vind dat de King (Eric Burdon) en de Queen (Dayna Kurtz) of Covers recht gedaan moet worden. Omdat ik telkens als ik bezig ben met een muziekblog zoveel nieuws ontdek. Omdat je via muziek hoop en berusting kunt samenbrengen. Omdat je via muziek mensen leert begrijpen. En omdat de volgende keer soms nog beter is.

26 jul 2012

Krimi II: Alfred Vohrer


Bij het grote publiek vielen ze in de smaak, de Wallace-films, waarover ik het in mijn vorige blog had. Ook bij mij, al hadden ze voor mij toen al iets ouderwets en iets groezeligs. Maar misschien is dat meer in mijn herinnering dan dat ik dat toen zo ervoer. Ik zag de films in zwart-wit. Omdat ze zo waren opgenomen of omdat ons toestel nog geen kleuren had. 

Peter Lorre in M
Gluurgat in tepel
Het groezelige zat hem vooral in de plaatsen waarin het geheel zich afspeelde. Oude Engelse landhuizen met kelders en geheime gangen. Deuren verstopt achter boekenkasten. Gluurgaatjes in de ogen of een enkele keer in de tepels op een schilderij. Ondanks voor die tijd moderne telefoons en auto’s ademden de beelden een sfeer die goed bij de tijd paste waarin Edgar Wallace (1875-1932) zijn verhalen schreef. Het groezelige werd natuurlijk nog versterkt door de waanzin waardoor iedereen behalve de inspecteur van Scotland Yard gegrepen leek te zijn. Iedereen was door het leven op een dusdanige manier getekend dat hij of zij op zijn minst schuldig léék. Het duidelijkst was dat natuurlijk bij Klaus Kinski. Hij viel voor mij in dezelfde categorie als Peter Lorre in films als M of The Maltese Falcon: totaal verknipte figuren waarin angst en woede om de bovenhand streden. Maar Lorre speelde dan ook veel in dertigerjarenfilms. Maar ook Hans Clarin kon er wat van, althans in de Wallace-verfilming Das Indische Tuch. Voor de meeste Duitsers is hij, denk en hoop ik, vooral bekend als de stem van Pumuckl in Meister Eder und sein Pumuckl. 

Eddy Arent
Een andere tekenende rol was die van Eddy Arent. Waarschijnlijk vond de regisseur (vaak Alfred Vohrer) dat zijn film te donker, te akelig werd. Eddy Arent moest dan als butler of klunzige medewerker van de Yard met een of andere droogkomische of domme opmerking de ‘ondraaglijke’ spanning doorbreken. Dat lukte hem, maar in ieder geval bij mij was het doorbrekende element niet de bevrijdende lach, maar ergernis. Ik hoopte dan maar, tegen beter weten in, dat hij het volgende slachtoffer zou zijn. Voor zover ik weet, is hij nooit gestorven in een Edgar-Wallace-film. Ook nu is hij nog niet dood, hij schijnt (volgens Wikipedia) dementerend en wel bij zijn zoon te wonen.

Winnetou-postzegel
Arent speelde als Lord Castlepool een vergelijkbare rol in een aantal Karl-May-verfilmingen. Onder andere in Der Schatz im Silbersee, waarvan (alweer) Alfred Vohrer het scenario schreef. Pierre Brice en Lex Barker speelden de hoofdrollen in die films over de nobele indiaan Winnetou en zijn Duitse kompaan Sharlih. Winnetou, de enige indiaan die ooit op een Duitse postzegel werd afgebeeld. In de boeken en in de films wordt de spanning doorbrekende rol overigens vooral gespeeld door het personage Sam Hawkens. In boek en film vaak net zo irritant als Eddy Arent. 

Die Vohrer speelde dus een erg belangrijke rol in de Duitse film- en tv-geschiedenis. Naast Edgar Wallace en Karl May hield hij zich bezig met de hitserie Derrick, met Der Alte, met Die Schwarzwaldklinik. Daarnaast regisseerde hij ook nog zoiets als de soft-porno-film Das Gelbe Haus am Pinnasberg, maar ook Jeder stirbt für sich allein, naar de roman van Hans Fallada. Die laatste film (uit 1975) is volgens mij zijn enige film die door de ‘serieuze’ filmkritiek ook serieus genomen werd (en deels wordt). Waarbij ik wil aantekenen dat Hans Fallada niet echt bij de grote Duitse literatuur hoort.  Kleiner Mann – Was nun?, Bauern, Bonzen und Bomben en Der Trinker zijn zeker de moeite van het lezen waard, maar het predicaat ‘meesterwerk’ zal er niet gauw aan vastgeknoopt worden. 

Niet dat het gebrek aan lof Alfred Vohrer heel erg stoorde. ‘Ob ein Film erfolgreich ist oder nicht, entscheidet sich für meine Begriffe an der Kinokasse – egal ob er künstlerisch wertvoll ist oder ob er künstlerisch nicht wertvoll ist, ‘ zei hij in 1965. Ik denk niet dat hij later op die zienswijze is teruggekomen.


Een volgende keer: Wat heeft me zo aangetrokken aan de Wallace- en May-verfilmingen van o.a. Alfred Vohrer?

Naar Krimi III
Naar Krimi I

21 jul 2012

Krimi I

Op ouderavonden komt ze vaak ter sprake, de reden dat kinderen tegenwoordig geen Duits meer kennen. Ze kijken niet meer naar de Duitse tv. De ouders deden dat nog wel. Zelfs de huidige ouders, die toch over het algemeen beduidend jonger zijn dan ik, kunnen nog wel een aantal programma’s noemen waar ze, al dan niet gedwongen door de voorafgaande generatie naar keken. 
Tatort scoort over het algemeen het hoogst. Als ik dan de titelmuziek van Klaus Doldinger neurie, verschijnt er meestal een licht nostalgische glimlach om de lippen van de vader en moeder van Klaasje-met- de-5-voor-Duits. De slagwerker bij die titelmuziek is trouwens Udo Lindenberg, die in Nederland -denk ik- vooral bekend is met zijn Sonderzug nach Pankow.

Stephan Derrick en Harry Klein
Erik Ode als Der Kommissar
Tatort (eerste aflevering: 29 November 1970) was een reactie op Der Kommissar met Erik Ode in de hoofdrol. Der Kommissar werd uitgezonden door het ZDF (eerste aflevering: 3 Januari 1969) en werd geschreven door Herbert Reinecker, die in 1974 ook nog eens aan zijn eindeloze reeks Derricks begon. Harry Klein (gespeeld door Fritz Wepper) was in eerste instantie Kriminalhauptmeister van commissaris Keller, maar hij maakte promotie en werd Inspektor onder Stephan Derrick. Zijn broer Elmar Wepper volgde hem op als Kriminalhauptmeister Erwin Klein. Inmiddels is Fritz Wepper Oberbürgermeister Wolfgang Wöller en tegenspeler van Schwester Hanna in de serie Um Himmels Willen. Alvorens ik overga tot het eigenlijke onderwerp van dit blog nog even dit over Fritz Wepper: hij speelde o.a. ook nog in de speelfilmklassiekers Die Brücke (1959) en Cabaret (1972).


Als ik –in het bovenbeschreven scenario- de ouders meen te moeten herinneren aan de Duitse Edgar-Wallace-verfilmingen krijg ik meestal een blanco blik als antwoord. Deze films zijn dan ook ouder dan de bovengenoemde series. De eerste door de van origine Deense firma Rialto geproduceerde film uit de serie kwam in 1959 uit. De laatste in 1972. In die periode werden 38 films gemaakt. In 1963 alleen al 5!
Ik heb er niet een in de bioscoop gezien. Daar was ik dan weer te jong voor. Ik weet trouwens niet eens of ze ook in Nederland zijn uitgekomen. Maar ze kwamen wel op tv. De Duitse tv wel te verstaan. Eind zestiger en begin zeventiger jaren zal ik ze gezien hebben. Daarna, toen ik eenmaal het ouderlijk huis verlaten had, heb ik er misschien nog een of twee gezien op een verloren zaterdagavond. Ik heb ze dus gezien op dat oude zwart-wit-toestel. Dat was prima, want de meeste films waren ook in zwart-wit gefilmd, of zouden in ieder geval in zwart-wit gefilmd hebben moeten zijn.
Want in die tijd en in die films was alles nog zwart-wit. Er waren een paar goede mensen en er waren heel veel slechte mensen. De goede mensen werkten bij Scotland Yard en waren dus erg slim of ze waren mooie en naïeve vrouwen. Die laatste categorie werd dan gered door de eerste.
De verhalen speelden zich meestal af in de betere Engelse kringen. Zoals we allemaal weten hebben die kringen (althans het mannelijke gedeelte daarvan) de neiging hun seksuele geneugten te zoeken bij de lagere kringen. Als er dus een arm maar naïef wicht in de films voorkomt, dan is ze eigenlijk de dochter van de een of andere Lord die een scheve schaats gereden heeft. 

Elisabeth Flickenschildt 
Veel vrouwen komen er niet voor in de films: je hebt de jonge naïeve schone, de jonge doortrapte schone en de oude gruwelijk doortrapte lelijkerd. Die laatste rol werd meestal gespeeld door Elisabeth Flickenschildt (1905-1977) een actrice die vooral beroemd was om haar films in de nazitijd en haar theaterrollen onder Gustav Gründgens. Een vrouw met een verleden dus.Maar dat hadden de meeste Duitsers in die tijd natuurlijk. En dat is –denk ik- precies de reden waarom de Edgar-Wallace-verfilmingen zo’n succes waren. Iedereen had een verleden en iedereen moest nog verder.

 

In de film Das Gasthaus an der Themse is Flickenschildt de stiefmoeder van Leila Smith (eigenlijk Pattison), de erfgename van een rijke adellijke familie. Leila zal op haar 18e in het bezit komen van haar erfenis (dankzij de goede zorgen van Joachim Fuchsberger, die als Inspektor Wade de hoofdrol voor zijn rekening neemt). In 1962 (het jaar waarin het verhaal speelt en de film opgenomen is) is ze nog 17. Ze is dus geboren in 1945. Ze ontkomt maar nipt aan het gruwelijke lot dat haar te wachten zou hebben gestaan als ze inderdaad door de veel oudere Kapitein Brown meegenomen was naar Zuid-Amerika om daar met hem te trouwen. Nu kan ze verliefd worden op de intelligente, voorkomende en moderne inspecteur Wade. En hij op haar: een nieuwe toekomst is geboren. In de film wordt zelfs de twist gedanst!
Vergangenheitsbewältigung noemen ze zoiets in het Duits. 
Maar verder is het gewoon best een aardige film. Mooie ouderwetse shots. Gezellige clichés, freudiaanse beelden. Klaus Kinski speelt zijn normale gestoorde rol, maar blijkt achteraf toch aan de goede kant te hebben gestaan. Eddy Arent moet voor de komische noot zorgen en is dus zoals altijd vreselijk irritant. 

Ik wilde het eigenlijk hebben over een andere Edgar-Wallace-film van dezelfde regisseur (Alfred Vohrer), maar dat komt later misschien. Voor nu vind ik het goed. Al bedenk ik me nu ook, dat de Dreigroschenoper van Brecht & Weill ook in Londen speelt. Wie legt me dat uit?



Naar Krimi II
Naar Krimi III












14 jul 2012

Greppel



© Album Jacobus R..
Een paar dagen geleden was het in het nieuws (Volkskrant, 10-07-2012):  Voor het eerst waren er foto’s (van Jacobus R.) te zien die zouden getuigen van oorlogsmisdaden van de Nederlanders in Indonesië. Natuurlijk werden er wat slagen om de arm gehouden, want een paar foto’s waarop alleen slachtoffers te zien zijn, zeggen natuurlijk nog niets over de daders. Al was de eigenaar van de foto’s iemand die toentertijd inderdaad als soldaat in Indonesië was en aan de Nederlandse kant vocht.
Uit het oogpunt van de geschiedwetenschap is de twijfel terecht, maar niemand twijfelt er natuurlijk aan dat er gebeurd is wat de foto’s lijken te vertellen: Nederlandse soldaten nemen een aantal Indonesische vrijheidsstrijders gevangen en schieten hen zonder veel plichtplegingen dood.
Ondanks het gebruik van de bagatelliserende term ‘Politionele acties’ was er gewoon een oorlog aan de gang en in een oorlog worden oorlogsmisdaden gepleegd. Ook als er Nederlanders als daders bij betrokken zijn.  ‘Schone’ oorlogen bestaan nu eenmaal niet. 

Een verrassing vond ik het dus niet die foto’s te zien. Toch heb ik er lang en enigszins gechoqueerd naar gekeken. Dit was het verhaal dat mijn vader vertelde!
© Album Jacobus R.
Toen Heerlen namelijk pas bevrijd was van de Duitsers (september 1944) trok mijn vader als vrijwilliger mee met het Amerikaanse Negende Leger Duitsland in. Samen met een heel aantal stad- en streekgenoten werden hem allerlei bewakingstaken toebedeeld. Op 31 maart 1945 werd 2-13 Regiment Infanterie opgericht. Bevelhebber was Luitenant-Kolonel Erdman. Via Engeland en Malakka (Maleisië) kwamen ze op 9 maart 1946 aan in Semarang op Java. Op 26 februari 1948 stapten de overlevenden (25 man waren gesneuveld) aan boord van de Tabinta en begonnen aan hun reis terug naar Nederland, waar ze op 25 maart aankwamen.
In de tussenliggende periode is het onderstaande voorgevallen. Precieze datum en plaats weet ik niet. Het exacte verloop van het geheel kan ik ook niet vertellen. Dat neem ik mezelf kwalijk. Niet zozeer omdat het voor geschiedkundigen van belang zou kunnen zijn, maar omdat het aangeeft hoe slecht ik luisterde naar de verhalen van mijn vader.  

Intussen is het ook lang geleden dat hij het vertelde. Mijn vader stierf in 1986 en een paar jaar eerder vertelde hij me het verhaal een of twee keer. We zaten aan tafel bij hem thuis en dronken bier. Het was laat en we hadden al enkele uren gepraat over de scheidingen.  Hij was gescheiden toen ik 15 was en ik was net gescheiden van mijn eerste vrouw. Dat schiep een band, maar gaf mij ook de mogelijkheid de oorzaak van mijn ellende bij mijn ouders te zoeken Omdat ik mijn moeder in die tijd niet zag, kreeg hij dus alle bijbehorende verwijten te slikken. 
Moe en aangeschoten streek ik niet veel later over mijn hart en liet hem vertellen over wat voor hem misschien wel veel belangrijker was.  Zijn werk in de mijn en vooral Indonesië, Indië voor hem. Hij vertelde over de dood van Wimpie, hij vertelde over de hartelijke ontvangst in de kampongs die ze op hun patrouilles aandeden en hij vertelde over die vrouw op wie hij verliefd was (al zei hij het niet zo) en waarvan mijn broer en ik alleen nog een klein fotootje hebben.
Maar hij vertelde ook over het werk dat hij daar deed. Over de patrouilles. Over die ene patrouille waarvan ze terugkeerden en waar ze geheel onverwacht een groot aantal vrijheidsstrijders (Pelopers) in een greppel zagen liggen. De vrijheidsstrijders verrast. Zij verrast, maar, hoewel in de minderheid toch in het voordeel omdat zij wel de wapens in hun handen droegen. Waarschijnlijk lag de vijand uit te rusten van een of andere actie. 

Tabinta
'Maar wat moesten we nu?’ vroeg mijn vader. ‘We konden niet blijven en ze waren met te veel om hun echt gevangen te nemen en mee te nemen naar het kamp. En als we verder zouden gaan, dan zouden ze ons achterna komen en dan zouden ze echt geen medelijden met ons hebben. We hadden geen keus.’
Ze hebben hen doodgeschoten. Allemaal. Ik weet niet hoeveel het er waren. Ik meen dat het met een bren gebeurde, een soort mitrailleur. In feite was er dus maar één schutter. ‘Later konden we niet meer met hem praten, hem niet meer aankijken.’

Even later wilde mijn vader naar bed. Hij had zijn verhaal verteld en er niet meer als reactie op gekregen dan dat de rol van Nederland in die oorlog natuurlijk volslagen abject was. Dat ik hem niet veroordeelde en de schutter ook niet, maar dat ze niet begrepen hadden dat ze helemaal niets te zoeken hadden gehad in Indonesië. 
‘Het heet Indonesië, pap!’
Hij sloeg een arm om me heen en zei welterusten.