16 apr 2015

Hundejahre, bij de dood van Günter Grass

„Senta warf Harras; und Harras zeugte Prinz; und Prinz machte Geschichte...“


De middelbare school. Ik zat, denk ik, nog op de middelbare school toen ik het boek kocht. Maar pas enkele jaren later las ik het helemaal. Het stond met zijn intrigerende titel en omslag naast allerlei werken en werkjes van Hesse en Brecht. Die kocht ik steevast op de boekenafdeling van V&D, daarbij welwillend toegeknikt door de vader van een aantrekkelijke leerling van de meisjesschool die Heerlen ook rijk was. We maakten af en toe een praatje, de vader en ik, bedoel ik, met zijn dochter heb ik nooit meer dan enkele schuchtere woorden gewisseld. Ik was een verlegen type en zat bovendien in een relatie met een leerling van dezelfde meisjesschool. Volgens mij zaten de meisjes zelfs in dezelfde eindexamenklas. Het zal dus wel 1974 geweest zijn, want in dat jaar haalden we allemaal ons diploma. 

Hoe ik erbij kwam het boek te kopen, weet ik niet meer, maar ik hou het erop dat het een tip was van de boekenvader. Hij was een zachtmoedige man die het ene plankje onvertaalde Duitse literatuur altijd redelijk gevuld hield: altijd wel iets van Goethe. Fallada kwam er regelmatig in voor. Een aantal literatuurlijstboeken als Der Schimmelreiter, maar vooral veel Hesse en Brecht, want daarvoor, wist hij, had hij een vaste afnemer (waande ik me invloedrijk).
Op een dag, vind ik, moet hij tegen me gezegd hebben: "Dit moet je eens lezen. Dit is echt een prachtig boek." Daarbij tikte hij met een vrij lange gelige nagel op de witte rug van Hundejahre. Ik nam het boek uit het rijtje en bekeek de zwart met rode hand die een schaduwhondenkop vormde. Ik wist, dat de boekenman gelijk had. Ik kende de naam Günter Grass en wist waarschijnlijk al dat hij een beroemd Duits schrijver was. Niet voor niets keken we vooral Duitse tv. Maar ik had niets van hem gelezen.
De boekverkoper stopte het boek in een klein papieren zakje en legde het voor me klaar naast de kassa. Ik betaalde en begon tevreden aan de lange wandeling naar huis. 

Onderweg haalde ik het boek tevoorschijn en bladerde erin. Ik las de achterflap, bewonderde de hondenkop. En las de openingszinnen. De eerste alinea.

Erste Frühschicht
Erzähl Du. Nein, erzählen Sie! Oder Du erzählst. Soll etwa der Schau-
spieler anfangen? Sollen die Scheuchen, alle durcheinander? Oder wollen 
wir abwarten, bis sich die acht Planeten im Zeichen Wassermann geballt 
haben? Bitte, fangen Sie an! Schließlich hat ihr Hund damals. Doch bevor 
mein Hund, hat schon Ihr Hund, und der Hund vom Hund. Einer muß 
anfangen: Du oder Er oder Sie oder Ich… Vor vielen vielen Sonnenunter-
gängen, lange bevor es uns gab, floß, ohne uns zu spiegeln, tagtäglich die 
Weichsel und mündete immerfort.

Een prachtige eerste alinea zie ik, nu ik hem weer eens lees. Het hele boek zit er in. De drie (of meer) vertellers, de vogelverschrikkers, de honden en natuurlijk de monding van de Weichsel, want het verhaal speelt zich grotendeels af in de voormalige Freie Stadt Danzig.
Danziger Trilogie 3 staat er op het omslag, maar omdat verzekerd werd dat de drie delen afzonderlijk te lezen waren, begon ik er , eenmaal thuisgekomen, toch aan.
Maar het was pittig, ik was gewend aan de duidelijke taal van Brecht, het dromerige van Hesse. Dit was andere taal. En een heel andere manier van vertellen. Weitschweifig was het woord dat ik er toen niet voor wist te vinden:

Der Federführende schreibt Brauksel zumeist wie Castrop-Rauxel und 
manchmal wie Häksel. Bei Laune schreibt Brauxel seinen Namen wie 
Weichsel. Spieltrieb und Pedanterie diktieren und widersprechen sich 
nicht.

Ik vond het geweldig, maar kwam er niet doorheen. Ik gooide het boek in een hoek. Later, later.
Ik weet niet meer hoe oud ik was toen het boek me niet alleen meer aantrok en me dwong het op te pakken en nog maar een keer te beginnen, maar me meteen ook naar binnen zoog en me pas weer (eventjes) losliet toen ik al met de tweede verteller had kennisgemaakt: Harry Liebenau en vooral ook met zijn nicht en niet te vermijden liefde Tulla Pokriefke. Ik was verliefd op haar (en ben het nog steeds op haar naam) omdat Harry Liebenau (en dus Günter Grass) in het Tweede Boek van Hundejahre elk nieuw onderwerp aanhief met haar naam: 

Tulla, …
Liebe Tulla, …
Liebe Cousine Tulla, …
Hör zu, Tulla, …
Oh, Tulla, …

Sinds die eerste keer heb ik het boek om de paar jaar weer ter hand genomen en meestal wisselde ik van favoriet deel. Eerst waardeerde ik Harry Liebenaus toeschouwersverhaal het meest, dan weer viel ik voor de woede van dader Walter Matern in boek drie, een andere keer was slachtoffer Eddy Amsel mijn favoriete verteller.  

Mijn eerste exemplaar van Hundejahre heb ik inmiddels letterlijk stuk gelezen. Waarschijnlijk ergens in de tachtiger jaren heb ik een nieuw gekocht. In precies dezelfde uitgave. Zo te zien heb ik ook dat een keer of twee drie gelezen. Het was een goedkoop exemplaar (12,80DM) en daar kreeg je dan 473 dichtbedrukte pagina's taal voor, Duitse taal, verbazingwekkende taal, breedsprakige, meeslepende en prachtige taal. 
En door het hele boek lopen intussen honden. 3 honden: Senta, Harras en Prinz, waarbij de laatste op een van de laatste dagen van de Führer uit diens bunker wegloopt en de Elbe overzwemt naar het vrije westen en een bezoek brengt aan de filosoof Martin Heidegger. 

Toen ik aan dit stuk begon dacht ik dat het met dit boek was als met de Weichsel:

Die Weichsel ist ein breiter, In der Erinnerung immer breiter werdender,                       trotz der vielen Sandbänke schiffbarer Strom…

Maar nu ik het weer gezien, gevoeld en ingekeken heb, weet ik dat ik het gauw weer wil gaan lezen. De taal lijkt nog rijker geworden. Lijkt, want de woorden zijn uiteraard dezelfde. Ik ben, mijn taal is rijker geworden, rijper, en dan bedoel ik niet mijn Duits, natuurlijk. 

Günter Grass is dood. Hundejahre ligt hier op mijn tafel. En gaat in ieder geval mijn leven lang mee.












15 feb 2015

Bommel by Night

Wat ik in 2013 voorspelde en wat ik eigenlijk ook wilde, is uitgekomen. Ik zal het nu eindelijk maar publiek maken. Ik heb een aanslag gepleegd en ben daarvoor opgepakt en veroordeeld. Het eerste deel van de straf die ik kreeg, heb ik erop zitten. Nog vier jaar te gaan.
Niet alles wat ik voorspelde, is letterlijk zo uitgekomen, maar het gaat alleen maar om onbeduidende afwijkingen van de door mij gewenste straf, dus echt belangrijk vind ik het niet.
Soms vind ik het jammer dat er geen sprake was van media-aandacht voor mijn daad, maar van de andere kant vond ik het ook wel best zo. Bij nader inzien vond ik het gewicht van mijn daad, van mijn overtuiging toch weer niet zo groot als ik eerder meende. Eigenlijk schaamde ik me zelfs een beetje voor de beperktheid van de achterliggende gedachte. Let wel, niet voor de daad zelf. Ik zou het zo weer doen, maar dan beter. Ik denk dat ik best kan stellen dat ik geradicaliseerd ben.

Maar goed. Omdat er zo weinig, of eigenlijk zelfs geen enkele aandacht was van de media voor mijn actie, weet nu niemand wat er eigenlijk gebeurd is. Zelfs het plaatselijke sufferdje, De Toren, heeft er geen letter over geschreven. Vandaar dat ik het hier even moet opschrijven.

Op 29 september 2013 schreef ik een blog over een gruwelijk lelijk en half gedupliceerd aluminium standbeeld van Marcel Smink in Zaltbommel, waarin ik een soort van symbolische aanslag op dat onding aankondigde. Ik was die dag met mijn vriendin in Zaltbommel geweest. Ze had er zelfs nog een koddige foto van me gemaakt, waarop ik de vlucht na mijn daad vooruitspiegelde. 
Het was niet mijn eerste confrontatie met dat beeld, ik had al eerder geschreven over 'Gatsie' zoals ik het 'kunstwerk' had gedoopt. Dat was een ruim aantal jaren voor mijn in genoemd blog beschreven bezoek. Tot dan toe deed ik alles in openheid.

Maar op zondag 4 januari 2014 stapte ik 's morgens vroeg in mijn auto en reed in mijn gammele Renault Clio naar Zaltbommel. Mijn vriendin had ik wijsgemaakt dat ik op bezoek zou gaan bij mijn moeder en dat ik op tijd voor het eten weer terug zou zijn. Het was redelijk zonnig en fris. Onderweg kwam ik een natte-sneeuwbui tegen, maar dat mocht geen naam hebben. Om half elf parkeerde ik mijn auto op de parkeerplaats langs de Waal aan de rand van het stadje. Uit het handschoenvakje pakte ik de twee stukken vuurwerk die ik had achtergehouden uit het pakket dat ik de zoon van mijn vriendin enkele dagen eerder onder mijn toeziend oog ('Voorzichtig, voorzichtig')  had laten afsteken. Ik sloeg de kraag van mijn jas op en liep, wind in de rug naar de Waalkade. Daar stond deel een van mijn opdracht: het halverwege de borst afgesneden 'torso' van Gatsie tussen de klinkers voor de cafés en restaurants waarvan de terrassen 's zomers redelijk vol zaten. Nu was het leeg op straat en langs de Waal. Met een speciaal daarvoor meegenomen grote schroevendraaier peuterde ik zand en brokjes cement weg tussen de bestrating en de voet van het beeld. Ik kon de knaller er schuin onder plaatsen. 
Daarna liep ik naar de ten-voeten-uit-lelijkheid die enkele tientallen meters verderop in de uiterwaard stond. Voor dat deel van het kunstwerk had ik een sterker stuk vuurwerk gekozen. 
Ten eerste omdat het groter was en op een soort van sokkel stond, maar eigenlijk vooral omdat dat het verschrikkelijkste deel van het geheel was. Dat had te maken met de zwembroek die de jongen die was afgebeeld droeg. Er zou niets aan de hand zijn geweest als de jongen gewoon naakt was geweest, zoals dat hoort bij een standbeeld. Of gewoon gekleed natuurlijk. Dat kan ook. Maar een zwembroek? Werkelijk! Ik word weer kwaad als ik eraan denk.
In ieder geval: onder dat deel van de gruwel was het stuk vuurwerk veel eenvoudiger aan te brengen. 

Ondanks de kou ging ik met mijn rug tegen de lelijkheid zitten en keek naar de Waal, naar de overkant en naar de Martinus-Nijhoffbrug. Het was goed wat ik deed, zei ik tegen mezelf. Ik rookte een sigaret. Het had te maken met poëzie en met schoonheid. Het had te maken met het uitbannen van lelijkheid, van ketterijen tegen mijn geloof in puurheid en liefde. De beelden hoefden niet vernietigd te worden. Gewoon een symbolische daad volstond, dacht ik. Dacht ik toen.

Met de laatste twee centimeters van mijn sigaret stak ik het lont aan. Ik rende naar boven, naar de Waalkade. Al snel volgde de knal. Ik keek om. Er was niets veranderd. Een vaag wolkje dreef af naar de rivier. Op de kade hield ik de kegel van de peuk tegen het lont van het andere stuk vuurwerk. En weer rende ik weg. Ik keek niet om. 
De laatste meters naar mijn auto liep ik. Mijn hart bonsde als bezeten. Ik zweette, maar voelde de koude wind tegen mijn borst. Ik stapte in en reed als een bezetene terug naar Maastricht, naar mijn vriendin.
'Hoe was het met je moeder?'
'Goed, goed.'

—-

Nou ja, iemand had me gezien en iets genoteerd en de politie op de hoogte gesteld en zo kwam het dus dat ik afgelopen 4 januari voor de eerste keer het beeld moest schoonmaken. Hierna moest ik dat nog vier keer doen. Steeds op 4 januari. Een taakstraf werd het genoemd, maar eigenlijk was het natuurlijk gewoon een soort bezuinigingsmaatregel van, of in ieder geval voor de gemeente. Ik heb het nagekeken, nagevraagd. 'Gatsie' werd sinds zijn onthulling een keer per jaar met de hogedrukspuit ontdaan van al te vasthoudend vuil. De rest werd aan de regen overgelaten.
Maar ik moest met een ladder en sponzen in de weer. Ik moest elke plooi van het overlevensgrote lichaam met de hand schoonmaken. Het doel van die exercitie was me respect bij te brengen voor andermans ideeën en inspanningen. Zo zei de rechter het in ieder geval. 
Ik had geprotesteerd, natuurlijk. Ik betoogde dat geplande lelijkheid geen respect verdient. Ik vertelde over de beeldhouwer Breker, die in zijn tijd vernieuwend was, maar waar tegenwoordig toch niemand meer mee geassocieerd wilde worden, gezien zijn affiliatie met het Nazi-regime van Hitler. 'Kunst en politiek mogen niet te veel met elkaar verstrengeld raken', zei ik. Waarop de rechter zei: 'Ja maar, dat is toch precies wat u deed. U maakte meneer Sminks kunstwerk politiek.'

Omdat er in het vonnis geen tijd genoemd werd, besloot ik het beeld 's nachts schoon te maken. De lust tot statements was me even vergaan. Ik parkeerde mijn auto op dezelfde plaats als vorige keer. Ik sleepte mijn ladder en vijf in elkaar gestapelde emmers naar het beeld. Ik liep naar de Waal en vulde de emmers en droeg ze naar het beeld. Ik zette de ladder tegen het gedrocht, klom voorzichtig met een hand omhoog en goot de emmer leeg over het hoofd. De tweede en derde ook. De vierde emmer hing ik met een haak aan de bovenste sport van de ladder.  Met een van de grote sponzen begon ik het beeld af te soppen. Het maakte niet veel verschil. Het water werd smerig, maar het beeld zag er niet veel schoner uit. Het ging allemaal vrij vlot. Tot ik bij de zwembroek kwam. Daar zaten wat meer plooien en dus meer vuil. Harder wrijven dus.
Gelukkig had ik ook een schuurspons meegenomen. Daarmee bewerkte ik de plek in de zwembroek waar Gatsies pik moest zitten. (Voorzover een beeld met zwembroek een pik kan hebben, natuurlijk.) Ik zag hoe door mijn geschuur het metaal rond zijn geslachtsdeel iets lichter werd dan de rest van het beeld. Dat vond ik leuk. Volgend jaar zou ik een polijstset meenemen. Ik stelde me voor dat later dat deel van het beeld zilverkleurig zou blinken tussen het grijs van de rest van het lichaam. Ik schuurde nog wat harder. Ik stelde me een stel voor dat vroeg op een zomerse zondagmorgen in 2016 over de uiterwaard zou struinen, na een te lang kroegbezoek. Dronken en verliefd zouden ze van oost naar west lopen. Achter hen zou de zon opkomen en zijn eerste stralen werpen op het beeld van 'Gatsie'. Zij zou haar hand opheffen tegen de weerkaatsing van de zon in de zwembroek. Hij zou een hand onder haar opgeheven arm door schuiven tot op haar borst. En aan de voet van het beeld zouden ze het doen. 


Het werk aan de twee delen van het 'kunstwerk' kostte me ongeveer twee uur. Ik was tevreden over mijn werk. Ik verheugde me op de volgende keer. Het was vier uur 's nachts. Op het politiebureau meldde ik een paar uur later dat ik aan mijn taak voor dat jaar had voldaan. De lichtelijk verbaasde agent beloofde me het door te geven en mijn werk te laten controleren. Ik knikte tevreden en reed terug naar Maastricht.








30 dec 2014

Necrofilia

Wat is dat toch, dat verlangen van sommige mensen naar de wereldondergang? Vinden die lui het leven zo beroerd? Verlangen ze naar de dood? Of willen ze, als de helft of meer van de wereldbevolking dan uiteindelijk wijlen is, zelfgenoegzaam kunnen zeggen: 'Zie je, ik had gelijk. Jammer alleen, dat er nog maar zo weinig mensen zijn aan wie ik het kan vertellen'?
Er worden Mayaanse kalenders of wiskundige modellen losgelaten om tot de conclusie te komen dat eenieder zichzelf moet begraven omdat er nu eenmaal niemand anders meer is om het te doen.
Uit de tweede hand heb ik een verhaal over The Great Disapointment, ergens in de 19e eeuw in de USA. Een of andere malloot had de ondergang van de wereld voorspeld. Een andere malloot sprong om klokslag 0.00u van de betreffende dag van een hoog gebouw of een klif, alleen maar om te merken, nou ja, niet te merken, dat het allemaal onzin was. De wereld ging door. De malloot was dood. 
Omdat één les nooit genoeg is, werd de voorspelling talloze keren herhaald. Voorzover ik weet zijn we in 2012 voor het laatst ondergegaan. 
Gelukkig kwam er Ebola. En de malloten mochten weer hopen. En ze laten hun wiskundige modellen nog steeds los op de aantallen, hoewel uit allerlei gegevens blijkt dat het gewoon niet klopt.
Een kwestie van de werkelijkheid aanpassen aan de wens.



Dat zou niet erg zijn - ik gun iedereen zijn eigen orgastische einde-wereld-fantasieën - als daarmee  niet voorbij werd gegaan aan mogelijke oplossingen van het probleem. Want Ebola is natuurlijk een probleem. Minder groot dan door sommigen gedacht, maar toch. Maar de wereldeinde-malloten willen ook helemaal niet dat het opgelost wordt. Ze willen hun gelijk. 
Het probleem Ebola zou beduidend minder groot zijn als de gezondheidszorg in de getroffen landen beter was. Een mooi moment dus om daar eens aan te beginnen, zou je zeggen. 
Ik vraag me af hoeveel van die boze-dromen-mensen bereid zijn een deel van hun geld te geven om dat geregeld te krijgen. Ik gok op: weinig. Nou ja, dat gok ik niet. De Giro-555 actie heeft, geloof ik, nog geen 50 cent per Nederlander opgeleverd. 

Het zijn van die mensen die zich wellustig wentelen in andermans problemen. Ze komen welhaast klaar op de dood van anderen. 
Necrofilia.


20 jun 2014

St. Louis Blues

Mijn eerste singletje was 'Bring it on home to me' schreef ik op de bladzijde over dat lied. Maar dat was niet de eerste blues die er bij ons in huis was. Dat was St. Louis Blues. Sterker nog, we hadden die muziek niet alleen in huis, we hadden hem zelfs live gehoord! In het Rapid (later Roda—stadion op Kaalheide in Kerkrade. Of all places. Daar namelijk traden de harmonieën, fanfares en marching bands op tijdens het Wereld Muziek Concours van 1962 of 1966. In een van die jaren was ik daar, met mijn ouders, bij. Welk van die twee jaartallen het correcte is, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Maar dat komt misschien nog wel. Het was trouwens hoogstwaarschijnlijk niet de originele St. Louis Blues maar het mars-arrangement dat Glenn Miller ervan maakte: de St. Louis Blues
March. Dat lijkt althans logischer voor een gelegenheid als het WMC. Het singletje dat we ervan in huis hadden, was in ieder geval dat arrangement. Op de andere kant stond 'Oh, When The Saints'. De naam van het uitvoerende gezelschap weet ik niet meer, maar het kwam uit de Verenigde Staten en was de hit van die dag. Maar misschien was het wel de Clifton High School Mustang Band die op de foto hiernaast te zien is tijdens de intocht in stadion Kaalheide in 1962.

Waarschijnlijk was het mijn vader die het singletje kocht, hij was wel een Glenn Miller fan. Hij was 22 toen de oorlog voor Heerlen was afgelopen en Glenn Miller (een paar maanden later) om het leven kwam. Hij was later nooit echt veel bezig met muziek, maar bij het horen van -laten we zeggen- 'In the Mood' begonnen zijn vingers steevast ritmisch mee te knippen. Glenn Miller was voor hem waarschijnlijk de muziek van de herboren hoop en van de grootste avonturen in zijn leven: meewerken bij de bezetting van Duitsland, gevolgd door de politionele acties in Indonesië. 
In de clip hieronder zie je een stukje uit The Glenn Miller Story, met James Stewart in de hoofdrol.





Maar goed, in 1962 wist ik nog helemaal niets van de blues, in 1966 misschien een beetje meer. Maar ik combineerde het plaatje van mijn vader nooit met de moderne muziek die ik begon te leren kennen. Ik weet alleen nog dat ik het best mooie muziek vond. 
Pas later, geen idee hoeveel later, leerde ik 'St Louis Blues' kennen als de bluesklassieker die het is. En pas vandaag (14 Juni 2014) ben ik meer info over het nummer gaan zoeken. En wat blijkt: het is dit jaar precies honderd jaar oud. Het werd gepubliceerd in September 1914.

W.C. Handy
Het nummer is geschreven door W.C. Handy (1873-1953). Handy heeft meer klassiekers op zijn naam staan: 'Memphis Blues' en 'Beale Street Blues' zijn wel de bekendste. Hij staat bekend als de 'Father of the Blues'. Volgens de Engelstalige wikipedia is hij degene die ervoor gezorgd heeft dat de blues een van de dominante krachten in de Amerikaanse muziek werd. 

Tegen de wil van zijn streng gelovige vader, die vond dat muziekinstrumenten werktuigen van de duivel waren, leerde hij er een aantal te bespelen. Op zijn 23e begon hij met zijn band, Mahara's Colored Minstrels, aan een drie jaar durende tour door de zuidelijke staten van de VS (en Cuba) tegen een vergoeding van $6 per week. Na die drie jaar had hij daar een beetje genoeg van, en ging samen met zijn vrouw Elisabeth Price wonen in Florence, Alabama, zijn geboorteplaats. Daar gaf hij een paar jaar muziekles aan een college. Maar dat verveelde vrij snel en hij sloot zich weer aan bij de Mahara's en tourde weer een tijdje. Daarna vestigde hij zich in Clarksdale, Mississippi. In alle streken die hij bezocht, bestudeerde hij de locale, regionale muziek, vooral die van de zwarte bevolking. Daarbij ontdekte hij o.a. dit:

"A lean loose-jointed Negro had commenced plunking a guitar beside me while I slept... As he played, he pressed a knife on the strings of the guitar in a manner popularized by Hawaiian guitarists who used steel bars....The singer repeated the line three times, accompanying himself on the guitar with the weirdest music I had ever heard.


Kortom hij ontdekte de slide guitar. De techniek had men overgenomen van Hawaiiaanse gitaristen. Vaak werd ook een over de vinger geschoven flessenhals gebruikt (bottleneck), tegenwoordig gebruikt men meestal een metalen huls. 


In 1909 verhuisde Handy naar Memphis en daar schreef hij in dat jaar zijn eerste 'hit': 'Memphis Blues' (uitgegeven in 1912). Hij speelde daar met zijn band vooral op Beale Street (zie ook Memphis Minnie), zijn nummer met die titel stamt uit 1916. En in de tussenliggende tijd had hij dus ook nog de 'St. Louis Blues' geschreven (1914).




'Memphis Blues' wordt wel het eerste bluesnummer ooit genoemd, waardoor W.C. Handy de 'uitvinder' van de blues zou worden. Zelf zou hij dat nooit zo noemen: tijdens zijn reizen door de USA inventariseerde hij de verschillende muziekstijlen die door de arme zwarte Amerikanen gebruikt werden en gebruikte die diverse stijlen ook in zijn composities. Later schreef hij enkele boeken over het thema. De titel "Father of the Blues' heeft hij dus in ieder geval wel verdiend al is zijn vaderrol meer die van een pleegvader die allerlei kinderen in zijn huis opneemt en er een hecht gezin mee vormt.

Vier jaar na zijn dood kwam de film St Louis Blues uit, die losjes gebaseerd is op W.C. Handy's leven. De hoofdrol wordt gespeeld door Nat King Cole. Verder deden o.a. Eartha Kitt, Cab Calloway, Ella Fitzgerald en Mahalia Jackson mee. Bekijk hier de hele film, of ga naar 1.26.00 voor de St. Louis Blues.

Het wordt me uit de verschillende aanbiedingen niet helemaal duidelijk wat nou eigenlijk de oudste opname van St Louis Blues is die je op Youtube kunt vinden.  De opname van Bessie Smith is niet helemaal duidelijk qua jaartal, er staat bij 1914, maar het zou ook 1922 kunnen zijn. Maar de mooiste is natuurlijk die waarin we Bessie Smith ook op bewegend beeld kunnen zien, in de korte film St Louis Blues (1929): The man got a heart like a rock cast in the sea.





18 jun 2014

Bikini Bar

Ik ben te laat met mijn blog. Want de mini-hype ligt alweer achter ons. Ik voel me al bijna verplicht uit te leggen wat er nu eigenlijk aan de hand was. Dat een kunstwerk van Van Lieshout met de fraaie titel Bikini Bar naast of althans in het zicht van een spoorlijn is gelegd en dat sommige machinisten aangaven moeite te hebben met dat ding, omdat het hun herinnerde aan zelfmoorden die zij in hun werk hebben meegemaakt. Nog maar eens een stormpje van verontwaardiging ging door Nederland. Ik deed er aan mee en begon aan dit blog. Vandaag heb ik het afgemaakt. De verontwaardigingen liggen al lang weer op heel andere plaatsen. Dit topic is al lang niet meer trending. Er hoeft niet meer over nagedacht te worden. In het heetst van de strijd is er ook niet over nagedacht. Toen werd er alleen gereageerd.
Maar ik wilde nog verder met het blog. Het verder schrijven en het plaatsen. Omdat iets niet afgelopen is als er niet meer over gepraat wordt.


Body Bar, Beaufort 06
Van mij mogen ze het laten liggen, dat ding van Van Lieshout. Niet omdat ik het zo geweldig mooi of anderszins indrukwekkend vind, maar omdat het de tongen losmaakt. Dat lijkt mij een niet onbelangrijke functie van kunst: het roept beelden op. Soms zijn die beelden erg onaangenaam, zoals de beelden van de treinmachinisten die iemand onder hun trein hebben gekregen. Ik begrijp goed dat ze liever niet met een dergelijke herinnering geconfronteerd worden. 
Maar bij mij riep het die beelden niet op toen ik het werk voor het eerst en 'live' zag, ergens aan de Belgische kust bij gelegenheid van Beaufort 06. Ik was daar met mijn broer, zijn vrouw en een vriendin en het was, 4 jaar nadat mijn vrouw zelfmoord pleegde door voor de trein te springen. De nabestaanden mochten van de betrokken mensen in het ziekenhuis de stoffelijke resten niet zien. Het was te gruwelijk allemaal. Waarschijnlijk hadden ze gelijk. Ik had er ook geen behoefte aan haar te zien. Niet zo.

Van Lieshouts Bikini-Bar (toen heette het nog Body Bar) deed me op geen enkele manier aan haar of haar manier van sterven denken. Je zag een vrouwenlijf in bikini. Een lijf inderdaad, want geen hoofd, geen armen of benen. Waar die gezeten zouden hebben, had
Body Bar, interieur, Beaufort 06
het materiaal een andere kleur: rood natuurlijk. Het ging duidelijk niet om ruw afgescheurde ledematen, het deed hooguit denken aan met chirurgische precisie verwijderde delen. 
Je kon de bar ook binnengaan. Niet zoals je zou verwachten (en zoals ik natuurlijk leuker had gevonden) via de vagina maar via een van de bovenbenen, voorzover aanwezig. Binnen in de ondanks de zeelucht toch wel wat bedompte ruimte was het licht wel mooi. Er stond een lange houten bank, een soort vat dat als statafel fungeerde, en er hing een dartbord. 'Een pikvogelbord wordt zo'n ding ook wel genoemd', schoot me onmiddellijk te binnen toen ik het zag. Het hing (uiteraard) aan de binnenkant van de vagina. Dat vond ik wel geinig. Of er ooit pijltjes in de Bikini-Bar hadden gelegen weet ik niet. Zo ja, dan had de plaatselijke jeugd die waarschijnlijk al bij de eerste gelegenheid meegenomen. Nu moest ik me tevreden stellen met een blik door de gesloten vagina naar buiten. Vaag rozig licht, meer was het niet, de wereld. En dat was goed. Op het genoemde meubilair na was het lichaam vooral leeg.
Ik weet niet meer wat ik toen gedacht of gezegd heb. Waarschijnlijk hebben mijn broer en ik wat licht-puberale flauwe opmerkingen geplaatst zoals mannen dat doen die gezamenlijk in het lichaam van een vrouw vertoeven. 

Satellite des Sens, interieur, Out of Storage
Later heb ik een ander werk van Van Lieshout bekeken. Dat was bij Out of Storage in de Timmerfabriek in Maastricht. De binnenkant van dat werk was volgens een bordje bij de ingang voorbehouden aan kinderen van hooguit 8 jaar. Maar omdat ik bij de uitgang naar binnen ging, zag ik dat bordje niet. Dat leverde een veel freudiaansere ervaring op dan de Bikini-Bar. Hier kreeg je veel meer de sensatie in een lichaam te zitten dan bij de ledemaatloze vrouw. Niet per se een menselijk lichaam, maar wel een lichaam met ingewanden en onverwachte hoekjes. 
Ook dit werk van Van Lieshout vind ik niet bijzonder mooi. En een freudiaanse ervaring wordt van zelf minder freudiaans als je weet dat je er freudiaanse gedachten aan kunt ophangen. 

En zo werkt het, denk ik, hoop ik, ook voor de machinisten die tijdens hun werk geconfronteerd worden met de Bikini Bar. Je weet wat je zult gaan zien. Je weet welke associatie eraan verbonden zou kunnen worden. En als je het ding dan ziet, dan denk je: hé, daar is dat vrouwenlijf in bikini. Waarom heeft dat mens geen armen? Geen benen? Mooi is het niet.
En daar komt het volgende station al weer.

Maar goed, ik ben geen machinist en ik heb de 'resultaten' van een dergelijke doodssprong nooit gezien. En ik kan natuurlijk nooit de associatie bepalen die wie dan ook heeft of zou moeten hebben bij wat dan ook. Maar de machinist die last heeft, pijn heeft door door de Bikini Bar opgeroepen associaties verdient vooral nog heel veel steun en hulp bij de verwerking van de traumatische ervaringen die hij heeft gehad. Die zou misschien nog helemaal niet terug moeten zijn in zijn werk. Want dat er daadwerkelijk weer iemand voor zijn trein springt, is niet ondenkbaar. Er is geen politieke of sociaal-economische reden denkbaar die hem (te vroeg) weer aan het werk zou moeten kunnen zetten.

Ik ben naast dit alles bang dat het meerendeel van de negatieve reacties op het werk, of
Body Bar, Beaufort 06
beter: op de plaatsing van het werk naast een spoorlijn, meer te maken heeft met een afkeer van Van Lieshout, moderne kunst in het algemeen of dit werk in het bijzonder, dan met empathie met de betrokken machinisten. 

Laat Van Lieshout liggen. Nou ja, zijn werk. Laat het doen wat het doet. geniet ervan of vind het verschrikkelijk. Maar laat het liggen. Want het heeft nu zijn geschiedenis gemaakt. een korte hyperige, hijgerige geschiedenis. Het is kunst geworden.


De foto's bij dit blog zijn van mijn broer J. Hendriks. Behalve die van Out of Storage, die heb ik zelf gemaakt.


31 mei 2014

Bring It On Home To Me

'Bring It On Home To Me' met officiële b-kant
Nu we het er toch over hebben: het eerste singletje dat ik ooit kocht was 'Ticket to Ride'. Van de Beatles, dacht ik. (Opgenomen februari 1965, uitgegeven april 1965.) Maar op de b-kant stond een nummer dat ik niet kende van The Beatles: 'Bring It On Home To Me'. En op de een of andere manier was er iets misgegaan met het label: de naam van de uitvoerende band was niet te lezen. Ik herinner me een hoofdletter T en een eindletter -s. 
Ik heb het singletje jammer genoeg al heel lang niet meer. Het zou in de afdeling curiosa volgens mij hoge ogen kunnen gooien. 'Bring it on Home to me' is een van de bekendere nummers van The Animals, uitgebracht in maart 1965. Hoe het zit, wist en weet ik niet: waren de Beatles en de Animals voor een keer verenigd op een singletje? Hadden de Beatles het nummer van Sam Cooke ook gecoverd? Of andersom, probeerden de Animals een graantje mee te pikken van het succes van de Beatles? 

Mijn vorige blogs gingen ook al over oude Animals-nummers, althans nummers die door de Animals gecoverd  zijn: 'See See Rider' en 'Hey Gyp'. In veel van mijn muziekblogs speelt Burdon een rol. Nogal logisch, want hij was nu eenmaal mijn kennismaking met goede muziek. Nou ja, met andere muziek, zelfs alternatief voor het eeuwige Beatles/Stones-gedoe.

Vanavond zat ik om ongeveer tien voor acht voor de tv. Het journaal en het avondeten zouden spoedig verschijnen (heerlijke salade, D.). Ik keek maar met een half oog, want ik zag een paar knullen over het scherm rennen die iets met muziek leken te doen. Ze liepen en reden door de straten van een stad die me bekend voorkwam, maar waar ik - wist ik- nooit geweest was. Ik dacht meteen aan New Orleans, en dat bleek het ook te zijn. De knullen luisterden naar een straatmuziekbandje waarbij een jonge dame heel aardig de zingende zaag bespeelde. De knullen vroegen of ze een nummertje mee mochten doen. Dat mocht. Ze speelden 'Bring It On Home To Me'. Ik zong mee, hetgeen D. wel amuseerde: "Weet je wel, dat je naar Nick & Simon zit te kijken?" Ik wist het. Ik ken mijn tv-reclames. 

The Animals, Bring It On Home To Me, 1965, gepresenteerd door Sammy Davis Jr.

Op dat moment besloot ik een blog te gaan schrijven over dat nummer. Ook dit nummer was geen origineel van de Animals. het was hun cover van het nummer van Sam Cooke. En de Animals waren ook bij lange na niet de enigen die het nummer coverden. Ook Lou Rawls (die al op de background meezingt met Sam Cooke), The Faces, Sonny Terry & Brownie McGee, Otis redding, Wilson Picket, John Lennon, Paul McCartney, Van Morrisson, Aretha Franklin, Bon Jovi, Status Quo voerden het uit. En dat is nog maar een deel van de imposante rij.

Sam Cooke
Sam Cooke(1931-1964) is natuurlijk om meer bekend dan alleen maar 'Bring it on Home to me'. In de Top2000 staan twee andere nummers: 'A Change is Gonna Come' en 'Wonderful World'  In zijn jeugd trok hij met zijn ouders vanuit het zuiden van de VS (Mississippi) naar Chicago, waar zijn vader voorganger of iets dergelijks werd in de Church of God in Christ. Zijn muzikale carriere begon dan ook in de gospelhoek. Zijn latere muziek wordt volgens de Nederlandse Wikipedia tot de Rhytm and Blues gerekend, al zou je het natuurlijk ook onder de Soul kunnen scharen. Nou ja, wat maakt het ook uit, goeie muziek is goeie muziek, daar heeft het etiket geen invloed op. 
Cookes carriere was vooral veel te kort. Dat kwam door zijn gewelddadige dood op 33-jarige leeftijd: hij werd neergeschoten door de vrouwelijke manager van het hotel waar hij zijn laatste nacht had willen doorbrengen met een jongedame. Volgens die dame probeerde hij haar te verkrachten. Ze vluchtte uit de kamer en nam daarbij ook (per ongeluk) enkele kledingstukken van Cooke mee. Cooke rende daarop halfnaakt het kantoor van de manager binnen om te vragen of zij wist waar die andere vrouw was. De manager voelde zich bedreigd en schoot Cooke neer. Zoiets. De manager werd vrijgesproken: gerechtvaardigde zelfverdediging. Dat van die poging tot verkrachting was volgens Cooke-adepten niet waar: de jongedame in kwestie was volgens hun een prostituee. Waarmee ze impliceerden dat ze dus niet verkracht kon worden. Onzin, dus.

Maar hoe het ook zij, Sam Cooke was dood en voor de muziekgeschiedenis kan dat natuurlijk een groot verlies genoemd worden. 





Charles Brown
Sam Cookes nummer is (net als 'Hey Gyp') niet helemaal origineel. Er is sprake van een stevige bewerking van een ouder nummer. Dat oudere nummer is in dit geval niet eens zoveel ouder. het gaat om 'I Want to go Home' van Charles Brown uit 1959. Titel en naam van de artiest zijn niet bijzonder boeiend (Geef mij maar namen als Memphis Minnie, en Brownie McGee). Maar het nummer, dat volgens Wikipedia onder de categorie Gospel te classeren valt, is leuk. Tegelijkertijd is het -net als de bewerkingen van Cooke en de Animals- een beetje te 'mellow'. Het knalt niet, grijpt je niet echt bij de strot. Het is mooi, maar een beetje vlak.

Maar goed, over Charles Brown valt niet zo heel veel te vertellen, behalve dan dat hij eind jaren veertig, begin jaren vijftig nogal veel succes had. Maar dat was een tijd waarin de blues, volgens mij over het algemeen vrij gladjes werd. Vergeleken althans met de dertiger jaren blues. Het waren jaren van restauratie, ook in de States. De blues werd meer mainstream, lag lekkerder in het gehoor, irriteerde minder. De oude blues bleef natuurlijk bestaan, maar de afgevlakte vorm ervan kwam in de hitlijsten terecht.

Charles Brown, I want to go Home



Een paar jaar later was dat natuurlijk weer helemaal anders. Met de Beatles en de Stones nam ook de fascinatie voor de oude blues weer toe. Met de Beatles en de Stones?  Wat mij betreft vooral met de Animals en de groepen die Eric Burdon later vormde. In een vorig blog noemde ik al de samenwerking van Burdon met Jimmy Witherspoon. Maar al vroeg in de zestiger jaren (1963) werd in Newcastle een live-optreden van de Animals opgenomen waaraan Sonny Boy Williamson meedeed. Ik heb die opnames als lp, maar dat ding valt nauwelijks nog af te spelen. Als het al lukt, hoor je meer kraak dan muziek, en zover gaat mijn liefde voor het vinyl niet. Dat optreden was twee jaar voor Sonny Boys dood op 66-jarige leeftijd.

 Sonny Boy Williamson/Animals: Nobody But You (1964)

Dat optreden en die opname (1964) viel in de periode dat de blues naar Engeland geëxporteerd werd en er nog (net) geen sprake was van de British Invasion in de VS (begon in 1964). Net omdat de muziek in de VS een beetje op de achtergrond raakte, mede natuurlijk door de opkomst van de Rock 'n' Roll.
Sister Rosetta Tharpe
Het werd een succesvolle tour van een aantal oude bluesknarren die een heel nieuw jong en blank en Engels publiek vonden. Een van de meest opvallende figuren bij die tour was overigens geen oude bluesknar. Ze werd eerder bij de gospelmuziek gerekend, al zijn die grenzen natuurlijk ook vrij vaag: Sister Rosetta Tharpe. Hieronder staat een van de bekendste opnames die er van haar bestaan: live op een opgeheven treinstation in Manchester. Een mooie documentaire over haar is in vier delen te vinden op Youtube. (The Story of Sister Rosetta Tharpe, deel 1,  deel 2,  deel 3 en deel 4. Ook Rosetta (1915-1973) trok in haar jeugd vanuit het zuiden naar Chicago (Sam Cooke deed het haar jaren later na). Haar moeder was, net als de vader van Sam Cooke, iets bij de Church of God in Christ. En ook Rosetta begon dus in de gospelmuziek. Ze is daar op een heel vrije manier haar hele leven trouw aan gebleven. Maar ze vond het vooral geen probleem om allerlei muzikale grenzen te overschrijden. En dat levert natuurlijk de mooiste muziek op.


Sister Rosetta Tharpe, Didn't It Rain?

Ik kan het niet nalaten hier nog een versie te plaatsen van 'Bring It On Home To Me', zoals deze muziek hoort te worden uitgevoerd: gewoon op straat. En dan natuurlijk bij voorkeur in New Orleans. Grandpa Elliott & Stony B.: Bring It On Home To Me + Backdoor Man


Ik sluit dit blog voorlopig af met de mededeling dat ik een mailtje heb gestuurd aan het 'office' van Eric Burdon met de vraag of zij opheldering kunnen verschaffen over dat vreemde fenomeen op mijn eerste single.


24 mei 2014

Hey Gyp

Omdat ik sinds enkele dagen officieel zelf bij de oude leem hoor, vind ik dat ik vanaf nu ongegeneerd in andere oudheden mag duiken. En omdat mijn blog over 'See See Rider' me goed beviel, besloot ik op zoek te gaan naar wat achtergronden bij het nummer 'Hey Gyp' dat volgens Wikipedia op het album Animalisms van The Animals (Juni 1966) te vinden is. Maar bij nader onderzoek (op de Wikipagina over dat album) blijkt dat niet te kloppen. Ik heb het nummer op Starportrait de dubbele verzamel-lp in legergroene doos uit 1979. Maar ook op de (later verkregen) The Best of Eric Burdon & The Animals, vol. II (1967)
In ieder geval: nadat The Animals van bezetting veranderden en Eric Burdon & The Animals gingen heten, werd het nummer ook nog eens als single uitgebracht. 
Ik wist dat er van het nummer minimaal nog één andere versie bestond, namelijk die van Donovan. Die kende ik, heb ik in dezelfde tijd leren kennen. Deze versie, die je volgens Wikipedia moet aanduiden met 'Hey Gyp (Dig the Slow Version)' kwam uit in October 1965. 
Nieuw was voor mij de versie van de Soul Survivors uit 1967, een nogal rommelige versie die het dan ook niet veel verder bracht dan het b-kantje van een van de hitjes van dit nogal obscure bandje.

Donovan was dus de eerste. Hij staat ook genoteerd als schrijver van het nummer. Maar dat klopt toch niet helemaal. Wikipedia noemt het een 'altered version of the song "Can I Do It For You" by Memphis Minnie & Kansas Joe McCoy.' (1930). En dat klopt. 
Maar de namen van die uitvoerenden kende ik niet. Dus dat werd zoeken.

Memphis Minnie
Grafsteen Memphis Minnie
Memphis Minnie was op zijn zachtst gezegd een opmerkelijk mens. Geboren in 1897 als Lizzie Douglas staat ze op haar grafsteen (New Hope Baptist Church Cemetery in Walls, DeSoto County, Mississippi) vermeld als ' Lizzie "Kid" Douglas Lawlers aka Memphis Minnie'. Op Amerikaanse Wikipedia-pagina's en ook op andere sites over (vooral) kunstenaars staat vaak de begraafplaats vernoemd. Vaak met foto van de grafsteen. (In het geval van Memphis Minnie riep die foto bij mij in eerste instantie de naam op van het voetbalstadion van Veendam: De Lange Leegte. Maar dit terzijde.) De grafsteen is betaald door Bonnie Raitt.

Memphis Minnie
Memphis Minnie vond haar echte voornaam (Lizzie) nooit prettig. Ze werd door haar ouders met 'Kid' aangesproken en haar eerste optredens vonden dan ook plaats onder de naam Kid Douglas. De naam waaronder ze bekend werd, kreeg ze van een talent scout van Columbia Records, waarvoor ze een aantal opnames maakte. 
Haar carriere begon nadat ze op dertienjarige leeftijd van huis wegliep. Ze speelde sinds haar elfde gitaar en verdiende nu wat geld als straatmuzikant in Memphis (Tennessee). Van haar negentiende tot haar drieëntwintigste toerde ze door de zuidelijke staten met het circus van de Ringling Brothers. Daarna woonde en werkte ze weer op Beale Street in Memphis. Dat werken hield toen meer in dan alleen gitaarspelen en zingen. Om haar inkomsten wat op te krikken, werkte ze er ook als prostituee. Beale Street had zich in die tijd ontwikkeld tot het het centrum van de zogenaamde Memphis Blues. In de vele clubs die aan die straat lagen en die veelal eigendom waren van zwarte Amerikanen, speelden bekende namen als Louis Armstrong, B.B. King en Muddy Waters. En Memphis Minnie dus.

Ze werd ontdekt in 1929 toen ze samen met haar tweede man Kansas Joe McCoy op een straathoek wat kleingeld verdiende. Het nummer 'Bumble Bee' was een van de eerste opnames die van hun verscheen. In die tijd namen ze ook 'Can I do it for You' op, het lied waarop Donovan later zijn 'Hey Gyp' baseerde. Ze scheidde en verhuisde naar Chicago (of andersom) en ze had steeds meer succes, vooral haar "Me and my Chauffeur' werd een grote hit. Dit nummer nam ze op met Earnest Lawlars (a.k.a. Little Son Joe), haar derde man.Het nummer werd later onder andere uitgevoerd door Jefferson Airplane, op hun eerste album 'Takes off' (1966), met de voorgangster van Grace Slick: Signe Anderson)
Beale Street, Memphis, Tenessee, 1939
Memphis Minnie stond bekend als een, laten we zeggen, ferme meid die zich door niemand, en zeker niet door mannen, liet klein krijgen. Ze maakte gebruik van haar gitaar, haar vuisten, van messen en zelfs pistolen om haar gelijk te krijgen. Het schijnt dat ze pruimde (tabak kauwde, dus) en daarom tijdens haar optreden altijd een kopje bij de hand moest hebben om daar indien nodig een ferme kwak natte donkerbruine tabak in te spugen. Je zou bijna gaan terugverlangen naar die tijden als je zoiets leest.
Maar goed, de smaak veranderde en hoewel ze nog tot in de jaren vijftig doorging met optreden en het maken van opnames werd het allemaal toch minder. In haar hoogtijdagen was ze blijkbaar niet erg verstandig met haar geld omgegaan want al gauw was ze afhankelijk van een Social Security-uitkering. Het schijnt dat ze een aantal keren een interview aan tijdschriften gaf waarin ze haar armoedige omstandigheden beschreef en waarop dan door lezers werd gereageerd met giften aan haar adres. Ze stierf in 1973.
Lyrics 1 Ik heb geen goede versie van de lyrics kunnen vinden, maar dat is ook niet echt nodig. Het is een vrij eenvoudig verhaal. Een man doet een voorstel aan een vrouw: je krijgt van mij dit of dat als ik 'het' met jou mag doen. Haar antwoord blijft door het hele nummer heen een nogal omslachtige en vaak herhaalde omschrijving van 'nee'. De teksten van veel van die echt oude bluesnummers waren nogal aan de gewaagde, soms zelfs expliciete kant. Die van Memphis Minnie vielen (voorzover ik ze ken) nogal mee. Al waren de nummers voor ze opgenomen werden vaak nogal gekuist. Van een andere zangeres heb ik gelukkig nog een ongekuiste song kunnen vinden. Luister hier naar Lucille Bogan's 'Shave em Dry' uit 1935.
(En omdat het zo'n leuk nummer is, kunnen jullie onderaan deze pagina een recentere (en beter verstaanbare) versie van 'Shave em Dry' vinden.)





Donovan
Ik weet niet of Memphis Minnie ooit de bewerking heeft gehoord die Donovan van 'Can I do it For You' maakte, of misschien de cover van dat nummer door The Animals. Het zou ongetwijfeld een leuk citaat hebben opgeleverd. In ieder geval loopt het verhaal hier anders.  Donovan werd veelal gezien als het wat softere en bravere broertje van Bob Dylan. Zijn liedjes waren vooral lief. Je kunt hem (althans zijn muziek) goed samenvatten met de woorden Folksinger en Hippie. Hij is vooral nog bekend door nummers als 'Universal Soldier', 'Mellow Yellow', 'Hurdy Gurdy Man' en 'Atlantis'.
Gypsy Lovers, Gypsy Dave Mills

Het eerste dat opvalt aan het nummer is natuurlijk de nieuwe titel: 'Hey Gyp'. Ik heb die titel vroeger nooit begrepen. Door het onvolprezen internet ben ik er nu achter dat het lied zich richt tot Gyp Mills (ook: Gypsy Dave of David John Mills, 1946) een goede vriend en 'companion' van Donovan met wie hij een flink deel van de roerige jaren zestig doorbracht. Samen zijn ze nog (tegelijkertijd met The Beatles) bij de Maharishi Mahesh Yogi langsgeweest. Tegenwoordig is hij beeldhouwer en eigenaar van een soort beeldhouwschool in Thailand. In een paar interviews met hem die ik vond vertelt hij vooral veel niet over zijn avonturen met Donovan, omdat die in zijn eigen autobiografie uit de doeken zullen worden gedaan. Of die autobiografie er intussen is, weet ik niet. Het lied is in ieder geval geschreven in de tijd dat Donovan van zijn druggebruik af probeerde te komen. En met dat gebruik zal die Gyp ongetwijfeld iets te maken hebben gehad. 
Lyrics 2
In Donovans lyrics van 'Hey Gyp' is er ook sprake van een voorstel tot ruilhandel. Maar waar Memphis Minnie schoenen, kleren, een stuk land, een huis en zelfs een diamanten ring afwijst, gaat het bij Donovan om auto's en andere hulpmiddelen een 'tochtje' te maken. In ruil daarvoor wordt om 'some of your love' gevraagd en niet -in ieder geval niet zo duidelijk als bij Minnie- om seksuele diensten. Hij noemt een Chevrolet, een Ford Mustang en een Cadillac. Zijn laatste poging is het aanbieden van een suikerklontje. Maar nee, ze wil helemaal geen trip maken met hem, niet met de auto en niet anderszins. Ook hier loopt het allemaal op niets uit.
tekst


The Animals
Ik heb al vaker een nummer dat ik via Eric Burdon leerde kennen, gebruikt als
Bijschrift toevoegen
basis voor een blog als dit. 'See See Rider', 'Tobacco Road', 'Mother Earth', 'St. James' Infirmary', 'Uppers and Downers' en de kans dat ik dat nog wel eens doe, is vrij groot. Over Burdons versie vertel ik in die blogs over het algemeen vrij weinig. Ook hier laat ik het bij een korte notitie over de tekst (hieronder). Dat is misschien wat vreemd als het gaat over een muzikant die mijn muzikale smaak toch voor een groot deel mee heeft gevormd. Jarenlang stond het nummer 'Mother Earth' (Eric Burdon & War) bijvoorbeeld op nummer 1 van mijn begrafenislijstje. Tegenwoordig heb ik geen begrafenislijstje meer. Dat laat ik aan de nabestaanden over. 

'Hey Gyp' heeft nooit op dat lijstje gestaan. Tekst noch muziek lenen zich ervoor. Het is een vrij simpel, lekker in het gehoor liggend dingetje en Burdons versie is (natuurlijk) nog altijd de beste. Maar het heeft, denk ik, vrij weinig te maken met de leeftijd van mijn bronmuziek. Ik kan ook nauwelijks iets opschrijven over de muziek waar ik later en tegenwoordig de voorkeur aan gegeven heb of nog geef. Everything but the Girl, Björk, Dayna Kurtz, Nicholas Lens. Veel verder dan: 'o, wat mooi' kom ik meestal niet. Maar ik ben dan ook geen muziekcriticus, ik ben een consument. Ik schrijf een blog als dit niet om anderen aan te zetten naar de bijbehorende muziek te luisteren of hem zelfs goed te gaan vinden. Ik schrijf deze blogs omdat (de) geschiedenis (van dit nummer) me boeit, omdat via een blog als dit mijn geschiedenis vroeger begint. Ik word als het ware al aangekondigd (in het geval van 'Hey Gyp') in muziek uit de jaren dertig. Dat maakt (achteraf) mijn leven langer. 
Lyrics 3 The Animals zijn beduidend optimistischer (of naïever) in hun lyrics. In ruil voor auto's, huizen en meer van dat fraais, wil het meisje ook hier niet 'some of your love' schenken aan de man. Maar als de man dan in een soort intermezzo in allerlei toonaarden zijn liefde verkondigt en haar, middels zijn drummer, zijn 'heartbeat' laat horen, smelt haar hart en wil ze zijn liefde toch maar wel. En zijn Cadillac.
tekst 


Toegift
'Shave em Dry', Asylum Street Spankers