9 sep 2012

Cab Calloway



In mijn blogs St. James Infirmary en Helen Kane vs. Betty Boop et al komt hij al redelijk prominent naar voren: Cab Calloway. De Hi De Ho Man. Op 25 december 1907 geboren als Cabell Calloway III. Zoals zijn ‘nummer’ al doet vermoeden komt hij uit een welgesteld gezin. Zijn vader (Cabell Calloway II) was advocaat, zijn moeder lerares. Op de Wikipedia-pagina’s en de andere sites die ik heb geraadpleegd, vond ik vrij weinig persoonlijke geschiedenis. Dat zegt natuurlijk niets. Niet ieders leven staat tot in de meest intieme details op het internet, gelukkig.  
Maar het gegeven past ook wel bij het beeld dat alle beelden en klanken, die ik intussen heb genuttigd, opriepen waarin Cab Calloway een rol speelde. Cab was een opgeruimde jongeman - later een opgeruimde oude man - die niet mocht klagen over gebrek aan succes en populariteit.
Blanche Calloway
Het enige probleem dat ik tegenkwam, was een lichte ontevredenheid van zijn ouders toen hij liet blijken de muziek in te willen. Ze hadden hem liever als advocaat gezien.  In zijn keuze voor de muziek volgde hij zijn oudere zus Blanche. Zij was een jazz-zangeres in Chicago en (waarschijnlijk) de eerste vrouwelijke leider van een jazzband: de Joy Boys. Via haar leerde Cab onder andere Louis Armstrong kennen die hem vertrouwd maakte met het scat-singing waarmee hij beroemd werd.
Dan, staat er in Wikipedia: he had taken over a brilliant but failing band called "The Missourians" in 1930. Zo eenvoudig is dat. Met die band valt hij in voor Duke Ellington. Als snel werd hij bekend door de hele Verenigde Staten met nummers als Minnie the Moocher (hier de Blues Brothers-versie), St James Infirmary en Old Man of the Mountain. Van Old Man of the Mountain bestaat een “Betty-Boop-versie”, en daar link ik natuurlijk naar. Het gaat hier in feite om drie songs: The Old Man of the Mountain, You gotta Hi-De-Hi en The Scat Song.  Betty Boop is in dit filmpje al redelijk gefatsoeneerd, helaas, en het verhaal is beduidend minder dan de andere twee, maar het blijft leuk. 

Tot nu toe hebben we het alleen gehad over muziek die Calloway maakte bij tekenfilms (behalve bij Betty Boop heeft hij o.a. ook muziek gemaakt bij afleveringen van Popeye, uit dezelfde Fleischer-studio). Maar hij speelde ook zelf in films. Muziekfilms, uiteraard. Een van de bekendste is Stormy Weather (1943, Lena Horne zingt de titelsong). Hier Cab Calloway in dezelfde film met het nummer Geechy Joe.  Een paar jaar later (1947) speelde hij zichzelf in de film Hi De Ho die integraal te vinden is op en te downloaden is van het net. De film is geen hoogtepunt, maar de versie van St. James Infirmary die er in te vinden is, is de moeite waard.
Door sommigen worden Cab Calloway en zijn scat gezien als voorlopers van rap en hip hop.  Dus het is niet vreemd een Minnie the Moocher te vinden van Tupac ft. Ray Luv (in de titel staat een ander gefeatured). Ray Luv zou, volgens een van de reacties onder het filmpje, een kleinzoon zijn van Cab Calloway. Maar dat heb ik niet meer nagezocht, want Cab Calloway is leuk, maar je moet het niet overdrijven.

Maar toch nog dit: Afrobella vraagt zich af of Cab Calloway op Prince lijkt of niet? Ik zou zeggen, zeg het maar.



4 sep 2012

Conceptie





Maart 1948. Het begon op de dag dat ze om vier uur thuiskwamen. De broers in uniform. Van de boot stapten ze op de trein. Rotterdam Centraal, neem ik aan. Vreemd, dat landschap dat hetzelfde was als toen, dezelfde stations, maar andersom, behalve de cadans. De mensen die steeds gewoner gingen praten. Er werd naar hen gekeken, maar niet met hen gepraat: hun huid was veel te bruin. Hun gezicht tenminste, de driehoek onder hun hals en de onderarmen, meer was het niet. De ogen moe en alert tegelijk.
Dit was al bijna thuis, zeiden ze. Dit was waarnaar ze verlangd hadden. Dit was waarvoor ze bang waren geweest. Terug naar de dood, had een van hen het genoemd. Ik weet niet wie. De oudste, denk ik, omdat dat beter past in mijn verhaal. Maar hij was niet zo’n prater. Liever keek hij voor zich uit en liet de weilanden aan zich voorbij gaan. Nee, dan zijn broer! Niet voor niets was die daarna verzekeringsagent geworden: hij kreeg de mensen waar hij ze wilde, en soms nog verder ook.
Pas na Sittard werd het landschap iets vertrouwder. Ze zagen heuvels en een steenberg die niet de hunne was. Er moet toch meer zijn dan dit, hadden ze tegen elkaar gezegd, jaren geleden toen de tijd nog donker was en hopeloos. Toen hun huid nog zwart was van het kolengruis. Hun gezicht tenminste en de onderarmen.
En nu, nu ze de haat hadden leren kennen en de liefde en de eindeloze zee, keerden ze terug naar huis. De laatste kilometers waren ongemakkelijk. Ze praatten niet. Soms wezen ze met een achteloze vinger naar een grauw gebouw dat ze herkenden. Er lag een waas over de stad. Een zwart waas dat de zon opzoog. En er was geen water, er was nooit water geweest in dit uit de steenkool gewassen dorp, waar mensen vreemden waren, waar alleen ondergronds geleefd werd en bovengronds beleefd geknikt.
Een bus wachtte. Niet op hen, maar ze wachtte totdat ze ingestapt waren en naast elkaar een plaats hadden gevonden. Om de beurt noemden ze de halteplaatsen die de chauffeur even later omriep: Heesberg, Watertoren, Heerlerbaan kerk. Bautscherweg, de laatste zeiden ze tegelijkertijd. Ze lachten kort om het toeval. Ze keken elkaar niet aan toen ze uitstapten.
Honderd meter, meer was het niet. Ze zagen hoe een meisje in zomerjurk naar binnen rende, een huis in. Er hing iets aan de gevel van het huis. Hun huis. Thuis. Nog ver zagen ze een hoofd uit het portiek steken. Was dat? Het was weer weg. En toen kwamen ze naar buiten. Twintig mensen. Familie, buren.
Welkom thuis
De broers versnelden hun pas. Een kale man gaf aanwijzingen: daar! Daar! Jij daar! De broers gooiden hun plunjezakken op de grond. Ze spreiden hun armen, maar de kale man stak zijn hand op: halt! Henk en Rien bleven staan. De kale man kwam naar hen toe, pakte de broers bij de mouwen en trok hen naar de juiste plek. Op het onderste van de drie treden stond zij: Zomerjurkje, een blaadje in haar hand.
De kale man gaf een teken. Het meisje keek hem even aan. ‘Ja Mientje, begin maar.’ ‘Vader,’ zei mijn vader. ‘Mientje!’ herhaalde mijn grootvader.
‘Welkom thuis, mannen. Welkom thuis uit ons verre Indië.’

‘Ze is pas vijftien of zo.’
‘Ja, en wat dan nog?’
‘Jij bent vijfentwintig.’
‘Nou?’
‘Dat verschil is toch veel te groot. Ze is nog een kind.’
‘Maar wat voor een kind! Dat verwacht je toch niet hier op de Heerlerbaan. Zeker niet met die ouders.’
‘Ja, maar toch.’
‘Geef nou maar gewoon toe dat jij haar ook wil.’
‘Ik?’
‘Vergeet het.'
En even later: 'Laat het raam open, he.’

Hij liet zich vanuit hun slaapkamerraam op het dak van de veranda zakken en liep – zijn voeten zoveel mogelijk op het ijzer plaatsend- zich met bakstenen vingers vasthoudend aan de muur van de kamer van zijn andere broers naar de hoek van de uitbouw. Daar scheen de maan (vol natuurlijk), maar niemand kon hem zien. Op de nok van het dak van de schuurtjes die de buurhuizen scheidde, bleef hij zitten, rookte een sigaret.

‘Ik moet hier weg’, dacht hij: ‘Ik hoor hier niet meer. Ik kan dit zwarte leven niet meer aan. De kerk, de harmonie, de mijn.’ Vooral de mijn. Nooit meer wilde hij zijn leven laten bepalen door zwarte bergen aan een beperkte horizon. Nu wilde hij naar Mientje: hij had haar blik gezien, grote ogen van bewondering voor de gebronsde buurjongen in uniform.

De jongen bij wie ze vroeger nog wel eens op schoot gezeten had, op het stoepje voor hun huis. Hij was altijd aardig tegen haar. Zijn hele familie was aardig en vooral gewoon, normaal. Niet de voortdurende strijd die bij haar gewoonte was. Het eeuwige gevecht tussen de grote rondborstige oermoeder en de tengere driftige stroper, waar haar jongste zus alleen aan had weten te ontkomen door eenvoudigweg dood te gaan. Haar veel oudere broer en zus waren getrouwd en weggegaan naar dorpen in de omgeving. Alleen zij was nog thuis. Ze haatte thuis. Het werk dat ze er moest doen nadat ze thuisgekomen was van haar dienst bij een familie in de stad.

Ze zat op de rand van haar bed en keek naar het openstaande raam. Ze luisterde naar geluiden en probeerde ze uit te leggen. Ze hoopte dat hij had gezien wat haar ogen zeiden, eerder vandaag, bij de welkom-thuis kus. Ze hoopte, dat hij had gemerkt hoe zij hem daarbij net iets langer vasthield dan hoorde.
Het voorlezen van de welkomstwoorden was best goed gegaan. Ze had zich goed geconcentreerd, wilde geen fouten maken, maar de woorden van de oude Hendriks klonken haar zoals steeds vreemd in de oren, ook als ze op papier stonden. Hij was de enige in de straat die geen dialect sprak. Hij kwam ergens uit het noorden. Haar vader mocht hem niet: ‘echte kerels werken ondergronds.’ Hendriks was geen mijnwerker, hij werkte bij de mijn.
Die morgen had ze de oude Hendriks geholpen bij het beschilderen van het bord voor boven de voordeur. ‘Welkom thuis’ stond er op en twee palmbomen en een zon. Daarna had ze de ladder vastgehouden terwijl hij dat bord ophing en er lange groene slingers aan bevestigde. Weer thuis had ze zich gewassen, haar haren gedaan en haar beste kleren aangetrokken. Assepoester had ze zich gevoeld toen haar moeder haar nog geen uur voor de geplande aankomst had opgedragen de aardappels te schillen. “Mam!!!’ Haar moeder had alleen schamper gelachen en geknikt in de richting van de kelder: daar lagen de aardappels. Haar moeder, de matrone van de straat, de ruziemaakster.

Mientje stond op van haar bed en stak haar hand uit naar haar prins. ‘Hoeft niet,’ fluisterde die en trok zich behendig op aan de vensterbank van haar slaapkamerraam. Ze legde haar wijsvinger op haar lippen. Onnodig. Terwijl hij nog op de vensterbank zat, trok hij zijn schoenen uit en liet ze aan de veters op het dak van het schuurtje zakken. Dat had hij in Indië geleerd.

Zie ook: Ultrakorte autobio (animatie)
Tijdens de ongelooflijk lange zwangerschap had mijn moeder haar betrekking opgezegd en was gaan werken in de winkel van Sophie Houben, fournituren en nylonreparatie. Nadat ze moeder was geworden bleef ze dat laatste thuis doen tot nylonkousen zo goedkoop werden dat het ophalen van ladders zinloos was. Mijn vader volgde een opleiding tot meesterhouwer en was tot 1954 lid van de socialistische mijnwerkers-vakbond. In dat jaar bevielen ze van mij.



Toen ik mijn vader lang geleden vroeg naar de dag van mijn conceptie, keek hij me eerst verbaasd lachend aan. ‘Wat is dat nou voor een vraag? Dat weet ik niet meer, hoor. Het zal augustus zijn geweest.’ Hij telde het op zijn vingers na en knikte. ‘Het gaat niet om de biologie,’ zei ik: ‘Het gaat om het idee, het concept.’
Waarop mijn vader ongetwijfeld schamper zal hebben gelachen en voorgesteld naar bed te gaan: het was al laat tenslotte, en we hadden te veel gedronken: ook voor een conceptuele zwangerschap was zes jaar te lang en - door de tussentijdse geboorte van mijn oudere broer - onwaarschijnlijk.





29 aug 2012

Meester Ju: een update


soms verdiept een mens zich zo in de schijt
dat hij er een deel van wordt
een enkeling weet dan te zwemmen

Volgens de (officiële) overlevering heeft Meester Ju deze uitspraak laten noteren in het laatste jaar van wat tegenwoordig de Periode vanLente en Herfst genoemd wordt (tussen 722 en 481 v.Chr.).
Confucius
Het citaat is opgenomen in de bundel Meester Ju en de domme vragen. Het enige bekende exemplaar van dit meesterwerk (waarschijnlijk tussen 217 en 228 n.Chr.) bevindt zich momenteel in de CBCPC[i] in Beijing. Het ‘boek’ is een feite een opgerold stapeltje papieren (volgens het procedé van Cai Lun) dat bijeengehouden wordt door een zijden lint.

Een deel van de teksten is in 2011 door de Chinese autoriteiten vrijgegeven voor publicatie. De Volgelingen van Meester Ju (opgericht in 1949) weigeren de authenticiteit van de vrijgegeven teksten te erkennen. Het origineel zou te kwetsbaar zijn om het uit de vocht- en temperatuurgereguleerde kluis en de beschermende mappen te halen, zeggen de autoriteiten. De Volgelingen eisen toegang tot die kluizen voor een onpartijdige instantie. ‘Bij voorkeur niet Chinees’ zeggen ze erbij, want Meester Ju is in China zeer omstreden.
Hij staat namelijk in de mondelinge overlevering bekend als commentator van zowel Laotse als Confucius. En dat ligt - ook in het hedendaagse China - moeilijk.

Lao Tse
Daarbij gaat het dan niet eens om zijn teksten. Want die zijn, op de omstreden vrijgegeven teksten na, onbekend. Het gaat ook niet om zijn daden, want Meester Ju deed niets, dat geven zelfs zijn meest fanatieke aanhangers toe. De voorzitter van de (illegale) Volgelingen van Meester Ju ( hij wenst zijn naam niet in de krant te zien) zegt: ‘Meester Ju zei wel eens wat. Meestal was dat onzin. Dat weten we. Maar onzin is het begin van alle wijsheid.’

Over de boven geciteerde spreuk zegt de voorzitter: ‘Dit kan geen uitspraak van Meester Ju zijn, want er zit een zekere logica in. En logica komt uit de beperkte mens. De echte mens is niet logisch. De echte mens is een willekeurige aaneenschakeling van gebeurtenissen, een opeenvolging van emoties.’

En dat is natuurlijk waarom de autoriteiten willen dat de echte Ju onbekend blijft: ze wensen logica, geen emoties. Ze wensen voorspelbaarheid, geen willekeur. Zekerheid.

Terwijl Meester Ju - onofficieel - gezegd heeft:

We leven niet.
We gaan dood.


Door de Chinese autoriteiten goedgekeurde uitspraken van Meester Ju vindt u




[i] CBCPC = Centrale Bibliotheek van de Communistische Partij van China

26 aug 2012

Scheerzeep

September 1944. De Amerikanen bevrijden Heerlen. Mijn vader, net 22 geworden, ziet zijn kans schoon om zijn benauwde wereld te verlaten. Hij heeft een aantal jaren noodgedwongen als mijnwerker diep onder de grond gewerkt en wil nu meer zien van de wereld. En misschien wil hij ook wel meedoen aan de laatste resten strijd tegen de Duitsers, die hij in de jaren sinds 1940 hartgrondig heeft leren haten.
J.H. Hendriks, II 13 RI, ws. voorjaar/zomer 1945
Hij sluit zich aan bij de bewakingstroepen 3e compagnie Heerlen. In eerste instantie worden deze oorlogsvrijwilligers ingezet om collaborateurs, NSB-ers en zogenaamde Volksduitsers op te pakken en te bewaken. Ook vrouwen die de pech hadden verliefd te zijn geworden op een Duitse bezetter waren de klos. Moffenhoeren werden ze genoemd en er werd niet gevraagd naar de echtheid van hun liefde.
Later trekt het onderdeeltje met het Amerikaanse 9e leger mee naar Duitsland. In Mönchengladbach maken ze deel uit van de bezettingstroepen. En zo staat mijn vader op een dag op wacht bij de poort in een provisorisch gebouwde omheining rondom het oude schoolgebouw dat dienst doet als kazerne voor de Nederlandse Oorlogsvrijwilligers. Het is maart 1945 en Noord-Nederland is nog bezet. Hij heeft gehoord over de verschrikkingen van de concentratiekampen. Misschien heeft hij er zelfs al beelden van gezien in de weekjournaals die aan de soldaten vertoond worden. Hij hoopt nog zover te komen dat hij mag meevechten tegen de gehate Duitsers, dat hij meer mag doen dan wachtlopen. Hij is gewaarschuwd voor de organisatie Werwolf: Duitsers die in intussen door de geallieerden bezet gebied achterblijven om daar door terroristische aanslagen onrust te zaaien en de terugkeer van de Nazi’s voor te bereiden. Iedereen kan lid zijn van die organisatie: oud en jong, man en vrouw.
Dit alles bedenkt hij als hij met een geweer om zijn schouder langs de prikkeldraadversperring loopt. Hij is dan ook extra alert als er op de stoep aan de overkant een vrouw met kinderwagen blijft staan. Ze schrikken voor niets terug hebben ze gezegd bij de briefing, en net het voorbeeld van een vrouw met kinderwagen is een aantal keren genoemd. Ze kijkt naar hem, maar als hij terug kijkt, slaat zij haar ogen neer. Hij voelt zich ongemakkelijk. Moet hij oversteken, de kinderwagen controleren, naar haar papieren vragen? Hij passeert haar, maar kijkt keer op keer om. Zij lijkt door te lopen. Hij draait zich om, kijkt haar na. Maar dan kijkt ook zij om. Ze zwaait, nee, maakt een teken met haar hand. Hij pakt het geweer van zijn schouder. Hij loopt terug tot hij weer op gelijke hoogte staat met de vrouw. Weer maakt ze een teken. Ze is bang, dat ziet hij. Was willst du, roept hij. Können Sie mir helfen, bitte? Hij steekt de straat over. Het geweer recht vooruit, op haar gericht.
Scheerzeep voor de G.I. (Bron)
Ze wijst in de kinderwagen. Hij ziet het gezicht van een baby, helemaal bedekt met een rode etterige uitslag. Hij schrikt. Hij kijkt de vrouw aan, ze heeft tranen in haar ogen. Ze vraagt nog eens om hulp. Hij kijkt om zich heen. Het is niet de bedoeling te verbroederen met de lokale bevolking. Het zijn Duitsers tenslotte, Nazi’s en niet te vertrouwen. Hij denkt snel na. Op dit moment kan hij niks doen. Hij mag zijn post niet verlaten, kan geen advies vragen. Morgen, zegt hij, Morgen. Snel steekt hij de straat weer over en loopt zijn rondje. De vrouw loopt door.
De volgende dag staat ze er weer. Hij steekt snel over en geeft haar een tube scheerzeep. Ze kijkt hem vragend aan. Hij wijst op een woordje op de tube: disinfecting. Zij knikt.
Hij ziet haar nog één keer daarna. Ze wijst weer in de kinderwagen. Het gezicht van de baby ziet er schoon uit, geen uitslag meer. Hij lacht, zij legt een hand op die van hem. Hij geeft haar de tube scheerzeep die hij sindsdien altijd op zak heeft. Dan steekt hij de straat weer over. Hij loopt zijn ronde.