10 nov 2012

Bij de boom



Deel 3 van: De korte maar miraculeuze liefde van Nellie Waldfeucht en Karel Innemee


Maar nu hij met Nellie Waldfeucht door het bos liep, wist Karel Innemee dat hij niet het verhaal moest gaan vertellen waarin hij haar al een tijdje van een afstand aanbad, dat hij informatie had ingewonnen, bijvoorbeeld bij M.D. Het zou te ingewikkeld worden. Hij zou M. op de hoogte moeten brengen en houden van zijn nieuwe levensloop, een tijd lang in ieder geval. En het zou mis gaan. Het hele verhaal van de verzonnen liefde zou bekend worden en een modderig einde kennen. Nee, modderig was niet het goede woord. Zijn liefde voor Nellie Waldfeucht zou achter hem liggen als een drol: je keek er wel op terug, je was blij dat je hem kwijt was, je was misschien wel enigszins tevreden over het lichte gevoel in je darmen en over de gezonde kleur en textuur. Een  verleden waaraan je niet meer dacht als je eenmaal op de spoelknop had gedrukt en je handen gewassen.  Je dacht er niet aan terug behalve dan als deel van een serie stoelgangen: het was er geweest.
Want natuurlijk besefte Karel Innemee dat ook deze liefde niet lang zou duren. Hij hoopte er wel op, maar dat deed hij altijd. Op een gegeven moment zou ‘de magie op zijn’, zoals de uitdrukking luidde. De uitdrukking die hij talloze keren had gebruikt bij vorige liefdes. Woorden die ook vaak tegen hem gezegd waren. Het was een uitdrukking waarmee je alle kanten op kon, waarmee je niets zei, maar kon pretenderen alles te zeggen. Want als er geen magie meer is, wat wil je dan? Dan is het toch beter om te stoppen, een liefde zonder magie is oorlog.
Eigenlijk, bedacht Karel, toen hij zijn hand quasi per ongeluk tegen de hare liet komen, zou het het beste zijn als hij nu, nog voor er iets onherstelbaars gebeurd was, zou omdraaien, naar huis gaan en zijn gewone leven hervatten. Of als zij dat zou doen. Dat maakte niet uit. Karel Innemee behoorde niet tot de groep van mensen voor wie de ‘uitmaker’ een hogere positie innam dan de ‘uitgemaakte’. Voor hem paste er geen rangorde bij het einde van een liefde.
Ze keken elkaar niet aan toen ze de zachte glooiing beklommen die het pad maakte. Tussen de laagste takken van de eerste beuken scheen de zon. Nog even en ze zouden er zijn. Bij de Beukenkoel. Bij de boom. Bij de steile helling die een abrupt einde maakte aan het golvende landschap. Bij het hek van rustiek en onbeholpen aan elkaar vastgespijkerde beukentakken dat de wandelaars (en vooral hun spelende kinderen) moest beschermen tegen een onverhoedse val.
Ze keken naar beneden, lieten hun blik omhoogklimmen langs de gladde beukenbasten, grijpen naar de takken en verblind worden door de zon. Zij legde haar linkerhand op zijn rechter. Ook dit leek toeval. Hij keek achter zich. Daar stond de boom. Het inschrift onzichtbaar aan de linkerkant. Het was stil in het bos. Haar hand bleef liggen, werd iets zwaarder. Misschien, dacht hij, moest de zon maar ondergaan. Achter de heuvel aan de overkant.
Even later lagen ze tussen de wortels van de boom. Hun handen zwierven en sjorden, zwierven en streelden. En zo veel meer.
Toen ze weer recht stonden, drukte hij haar tegen de boom en kuste haar. Hij zag de letters in de bast. Droog nu, maar wit nog, een verse wond die was gestopt met bloeden.

4 nov 2012

Op initialen

Deel 2 van: De korte maar miraculeuze liefde van Nellie Waldfeucht en Karel Innemee




Liefde kan nooit gebaseerd zijn op een leugen. Dat is de gangbare opvatting. Elke opvatting heeft natuurlijk zijn tegenstanders. De cynici, de door-schade-en-schande -wijs-gewordenen. De mensen die zeggen dat elke liefde leugen is, dat elke liefde gebaseerd is op eigenbelang. In gemoedelijke gesprekken, bijvoorbeeld tussen twee bevriende paren, bij een glaasje wijn, wordt die laatste opinie meestal afgezwakt tot: Maar je ziet toch ook vaak dat…..   De eerstgenoemde opvatting, de mening dus, dat liefde en onwaarheid onmogelijk kunnen samengaan, wordt meestal niet afgezwakt. Hooguit wordt er het woord ‘echte’ ingevoegd. ‘Echte liefde’ is nooit gebaseerd op een leugen. Als er sprake is van een leugen, is er geen sprake van liefde.  Als het gesprek echt gemoedelijk is, dus alleen maar quasidiepzinnig, zal ook de grootste cynicus opmerkingen achterwege laten als: dan bestaat er dus geen ‘echte liefde’.

Toen Nellie Waldfeucht en Karel Innemee elkaar (volgens afspraak) de tweede keer ontmoetten, maakten ze een wandeling door het Imstenraderbos, die door Karel in gedachten precies was uitgestippeld.  Hij wilde haar het inschrift laten lezen dat hij enkele weken eerder had gemaakt in de bast van een beuk: K.I. x N.W. Toen hij de wandeling bedacht, wist hij nog niet welk verhaal hij zou vertellen als ze voor de boom stonden. Hij overwoog verschillende opties.
De eerste, de waarheid, verwierp hij al snel. Dan namelijk zou hij moeten vertellen hoe hij nog maar kort geleden verliefd was op Marleen Verhoeven. Hoe hij niet haar initialen wilde krassen, omdat hij bang was voor herkenning.  Dat hij een eenvoudige code had bedacht, waarmee hij haar en zijn eigen initialen onkenbaar zou maken en hoe dat geresulteerd had in de inscriptie waar ze nu voor stonden. Hij zou haar dan uiteraard ook zijn eigenlijke naam moeten vertellen.  Dat laatste vond hij geen punt, hij had nooit problemen gehad met zijn naam. Eigenlijk vond hij zijn eigen naam een stuk prettiger dan de naam die Nellie nu gebruikte. Vooral de nieuwe achternaam vond hij nogal bezwaarlijk, het was een naam die vooral in de dorpen rondom zijn stad vaak voorkwam.  Voor hem had die naam een nogal boerse klank. Maar hij verwierp de waarheid vooral omdat hij vond dat de droom intact moest blijven. Hij herinnerde zich de schok nog die hij onderging toen hij Nellies naam voor het eerst hoorde, eergisteren op het feest van M.D. Het was niet dat hij daardoor plots voorheen onbekende mogelijkheden zag.  Het was niet zijn gebruikelijke zoektocht naar ingangen. Geen gegrijp naar strohalmen. Toen hij haar naam hoorde, zag hij zichzelf terwijl hij de letters in de boom kerfde. Toen hij later aan dat moment dacht, zag hij de initialen in goud of zilver, glanzend, lichtgevend. En in plaats van de punten zag hij ook de andere letters van haar naam: Nellie Waldfeucht.
Ook de halve waarheid was niet mogelijk.  Natuurlijk wilde hij best vertellen hoe hij eigenlijk heette. Het zou een boel problemen voorkomen en –zoals gezegd- hij had geen moeite met zijn naam. Maar als hij dat deed, dan was de geplande wandeling een slecht idee. Want ook al wist hij het allemaal op een mooie romantische manier uit te leggen, het feit bleef dat er nu toch K.I. stond en niet J.H. x N.W. Het zou lijken of zij vreemd ging.
Daarom besloot hij de leugen te leven, besloot hij Karel Innemee te zijn.
Maar wie was N.W. dan? Hoe moest hij haar initialen uitleggen? Moest hij een verhaal verzinnen, waarin hij haar ooit eerder had gezien? Van ver? Zonder dat zij dat had gemerkt?  Kon hij M. daarbij op enigerlei wijze inschakelen? Of moest hij wijzen op de fantasie, de code die hij had gebruikt, en zo het wonderbaarlijke van het geheel benadrukken? Was zij gevoelig voor dit soort toevalligheden? Ja, natuurlijk, anders was hij niet verliefd geworden. Verliefd? Ja, verliefd. Op initialen.

2 nov 2012

Toeval

Deel 1 van: De korte maar miraculeuze liefde van Nellie Waldfeucht en Karel Innemee



Iemand schreef iets op Facebook. Een hoofdletter gevolgd door een punt, een kleine letter tussen twee gedachtestreepjes en daarachter in hoofdletters: KILLS.
Iemand las dat en antwoordde met een vraagteken.
Die iemand kreeg als uitleg: Dat is een soort code, dat snap jij niet.
Alles is tog un code en daarachter die smiley met uitgestoken tong.

Dat was het. Vier regels, een paar namen, waarvan ik er eentje ken en een miniem fotootje. Tussen al het gedoe dat elke dag op mijn Facebook verschijnt. Vrienden, familie, leerlingen, vrienden van vrienden, vrienden van … Nou ja.
Ik ken de plaatser van ‘de code’, dus ik denk in bepaalde richtingen. Veel richtingen. Ik kan niet kiezen welke de meest waarschijnlijke is. Gelukkig. Ik begrijp de code niet en dat wil ik zo houden. Ik zou het vraagteken dus nooit geplaatst hebben.

Een code gebruik je als iets geheim moet blijven, behalve dan voor een of twee ingewijden, waarvan jij zelf er vaak een bent. Alleen zij mogen het begrijpen, nee, zij moeten het begrijpen. Want anders plaats je niets, natuurlijk. Soms namelijk is het niet genoeg als je de code, of liever, de betekenis daarvan in je hoofd hebt. Soms moet het gepubliceerd.

Zoals zo velen schreef ik vroeger wel in bomen. Soms waren het letters verbonden door een kruis of een hart. Dat was overzichtelijk. De meeste mensen die die vier letters zagen, wisten niet wie, maar wel wat er bedoeld werd. Maar als je het deed op boomstammen waar familie of vrienden of die ene wel eens langs konden komen, moest je voorzichtiger zijn. Je wilde wel je liefde van de daken schreeuwen, maar niet de naam van degene op wie die zich richtte.

Ik besloot dan haar naam in code te noteren. Ik gebruikte de gemakkelijkste code die er bestond: de volgende letters in het alfabet. Ik moest hetzelfde procedé dan natuurlijk ook gebruiken met mijn eigen initialen, want anders zou er gedacht worden dat ik verliefd was op iemand anders en dat zou voor onnodige verwikkelingen kunnen zorgen.  Ik sneed dus K. I. in de bast en daarna de code voor haar. Laten we zeggen, dat ze Marleen Verhoeven heette. Dan sneed ik als teken van mijn liefde K.I. x N.W.

Maar wie op die manier tekens in zich heeft, gelooft ook in tekens van buiten.

Op het feestje van mijn vriend M.D. kende ik veel van de aanwezigen niet. M. zat op een andere school en ik kende maar een van zijn klasgenoten. Hij wees een paar mensen aan en noemde hun namen, die ik natuurlijk meteen weer vergat. Behalve die ene: Nellie Waldfeucht.
“Hoe?” vroeg ik.
“Nellie Waldfeucht. Hoezo?”
“Nou ja.”
“Oké, zeg maar niks.”
“Als ze vraagt hoe ik heet, zeg dan: Karel Innemee.”
“Karel Innemee? Wie is dat?”
“Ik, dat ben ik. Zeg het nou maar gewoon.”

Op onze eerste afspraak maakten we een wandeling. Ik vroeg haar of ze in toeval geloofde.



27 okt 2012

The Unfortunate Rake



The Unfortunate Rake LP-hoes
Op 3 December 2011 plaatste ik een blog met als titel St. James Infirmary. Het gaat over het gelijknamige nummer in een aantal uitvoeringen. Ik vertel ook iets over de geschiedenis. In dat laatste was ik verre van compleet. Intussen heb ik de digitale versie gevonden van een LP uit 1960, zeven jaar voor de versie van Eric Burdon & The Animals die me aanzette tot de speurtocht uitkwam. (The Unfortunate Rake 1960 - Folkways FW03805 LP). Uit het bijbehorende boekje haal ik wat extra informatie. In het boekje vertelt de samensteller dat het lied in die jaren (rond 1960 dus) erg populair is bij de studie volksmuziek, de LP is samengesteld met de bedoeling de bijbehorende uitvoeringen wat toegankelijker te maken. 


Henry VIII door Hans Holbein d.J.
De oudst bekende deelversie van het lied (van de tekst althans) gaat terug tot 1848 (Cork County, Ierland), de eerste complete versies zijn later in de 19e eeuw gepubliceerd op zogenaamde broadsides (grote eenzijdig bedrukte vellen papier, pamfletten). In die eerste versies is sprake van St. James’ Hospital, een gebouw dat toen al zo’n driehonderd jaar niet meer bestond. Het was een ziekenhuis waar een aantal zusters leprozen verzorgden en vaak -zoals uit de teksten blijkt- naar de dood begeleidden. In 1532 kreeg Hendrik VIII het terrein in handen en liet er een paleis bouwen: St. James’s Palace. Het paleis is maar korte tijd als koninklijke residentie in gebruik geweest. Het bijbehorende terrein echter (St. James’s Park) en de straat waaraan het complex ligt (Pall Mall) is langer populair geweest, althans bij de bevolking. Jonathan Swift (1667-1745) schreef over paleis en park: "Houses of amusements abounded … bibbing and drinking under the trees: two or three quarrels every week. It was grown scandalous and insufferable." Maar de Mall bleef tot midden 18e eeuw een geliefde promenade in London. In de negentiende en twintigste eeuw hebben er zich een aantal Herenclubs gevestigd.
Ik weet het niet, maar misschien hebben die latere ontwikkelingen eraan bijgedragen dat de ziekte die hier (zonder veel succes) werd bestreden in het lied werd vervangen door een ziekte die men hier opliep: syfilis. Zo van: vroeger was hier een gasthuis voor leprozen, nu loop je hier de sief op. Bij St. James is het altijd ellende. Leuke bijkomstigheid is, dat men vaak veronderstelde dat Hendrik VIII aan syfilis gestorven is.(1)


The Unfortunate Rake

As I was a-walking down by St. James' Hospital,
I was a-walking down by there one day,
What should I spy but one of my comrades
All wrapped up in flannel though warm was the day.

I asked him what ailed him, I asked him what failed him,
I asked him the cause of all his complaint.
"It's all on account of some handsome young woman,
'Tis she that has caused me to weep and lament.

"And had she but told me before she disordered me,
Had she but told me of it in time,
I might have got pills and salts of white mercury,
But now I'm cut down in the height of my prime.

"Get six young soldiers to carry my coffin,
Six young girls to sing me a song,
And each of them carry a bunch of green laurel
So they don't smell me as they bear me along.

"Don't muffle your drums and play your fifes merrily,
Play a quick march as you carry me along,
And fire your bright muskets all over my coffin,
Saying: There goes an unfortunate lad to his home."

 
Het komt er dus op neer dat een soldaat in St. James Hospital een van zijn kameraden aantreft. Hij vraagt naar het waarom van zijn kwalen. Het ligt allemaal aan een knappe jonge vrouw. Had zij hem verteld over haar ziekte, dan had hij nog medicijnen kunnen halen, zoals kwik, om hem te genezen van de syfilis. Nu is het te laat en het enige wat hem nog rest, is voorbereidingen treffen voor zijn begrafenis.
Die wil hij wel een beetje leuk houden, dus de begeleidende jonge meiden moeten een bosje laurier bij zich dragen, zodat ze hem niet ruiken. De muziek moet ook een beetje opgewekt blijven. En het salvo dat zijn collega-soldaten afvuren zegt: Pech gehad, jongen, maar ook een beetje: dat krijg je nou van je losbollige leven. Dit blijft het thema door de jaren heen.

Pech gehad, jongen. Maar ook pech gehad, meisje, want uiteraard overkomt dit soort tragedies ook meisjes. Waarschijnlijk zelfs vooral meisjes. Soms zingt een vrouw dat verhaal. Dan blijft het verhaal vergelijkbaar, al moet het enigszins aangepast. In het verhaal hieronder is het de vader die zijn dochter in St, James’s Hospital aantreft. Ze vertelt hem in feite haar carrière: eerst naar de kroeg, daarna de danssalon, daarna het bordeel en dan naar het graf. Het klinkt bijna logisch. Ze vraagt om een priester, om een dokter en om de eerste jongen op wie ze verliefd werd (en die dus waarschijnlijk de oorzaak genoemd moet worden van haar miserie).


The Bad Girl's Lament  (Wade Hemsworth)

As I walked down to St. James' Hospital,
St. James Hospital early one day,
I spied my only fairest daughter
Wrapped up in white linen as cold as the clay.

CHORUS:
So beat your drums and play the fife lowly,
And play the dead march as you carry me along;
Take me to the churchyard and lay the sod over me,
I am a young maid and I know I've done wrong.

Once in the street I used to look handsome;
Once In the street I used to dress gay;
First to the ale house, then to the dance hall
Then to the poor house and now to my grave.

(CHORUS)

Send for the preacher to pray o'er my body,
Send for the doctor to heal up my wounds,
Send for the young man I first fell in love with,
That I might see him before I pass on.

(CHORUS)

Let six pretty maidens with a bunch of red roses,
Six pretty maidens to sing me a song,
Six pretty maidens with a bunch of red roses
To lay on my coffin as they carry me along.

(CHORUS)
                                           
Deze versie is opgetekend in Canada. Het verhaal is dus aan het reizen geslagen. In Noord-Amerika ontstaan weer nieuwe versies. Een van de bekendste is de cowboy-versie: Streets of Laredo (o.a. gezongen door Johnny Cash). Aan de dood van de slachtoffers in deze verhalen komt geen kwik te pas, maar een ander metaal: lood. In de vorm van kogels. De oorzaak van de ellende is niet de liefde, maar een overzichtelijker verslaving als drank of gokken. Maar ook vakbondsleden, Chinezen en zelfs skiërs komen aan een onfortuinlijk einde.

Daarnaast bestaat er nog wat het boekje bij de LP noemt een Texaanse ‘Negro version’ die meer aansluit bij The Bad Girl’s Lament, hoewel het slachtoffer toch een cowboy is. Hierin komen de dames van lichte zeden weer aan de orde, mede schuldig als ze zijn aan het sterfgeval.

I want sixteen young gamblers, papa, to carry my coffin,
I want sixteen young whore gals for to sing me my song,
Tell them bring ‘long a bunch of these sweet-smellin’ roses,
So they can’t smell me as they drive me on.

Hier geen laurierbladeren maar rozen. In die tijd was het duidelijk nog niet gebruikelijk lijken in gekoelde ruimtes op te baren. Het werpt toch een iets ander licht op de gewoonte een doodskist te bedekken met allerlei bloemen.(2)


Tot nu toe was er steeds sprake van twee hoofdpersonen in het lied: de persoon (man of vrouw) die binnenkort komt te overlijden en de persoon (de zanger) die diens verhaal aanhoort en verder vertelt.
In The Gambler’s Blues/St. James Infirmary komt er een derde persoon bij. Dat moet ook wel, want de verteller uit de oudere versies besluit dat het leven zonder zijn geliefde (die hij aantreft in St. James) niet meer de moeite waard is en hij regelt alle begrafeniszaken alvast voor zichzelf.
Dave Van Ronk speelt het nummer onder beide titels.Ik plaats hier twee versies.(3)



The Gambler's Blues/St-James Infirmary Blues

It was down at Old Joe's bar room
On the corner of the square
They were serving drinks as usual
and the usual crowd was there

On my left stood Big Joe McKennedy
His eyes were bloodshot red
Turned to the crowd around him
these are the very words he said

I went down to that St-James Infirmary
I saw my baby there
stretched out on a long white table
so sweet, so cold, so fair

Let her go, let her go, God bless her
wherever she may be
She may search this wide world over
never find a sweet man like me

When I die please bury me
in my high-top Stetson hat
Put a twenty-dollar gold piece on my watch-chain
let God know I died standing pat

I want six crapshooters for pallbearers
A chorus girl to sing me a song
Put a jazz band on my hearse wagon
To raise hell as I stroll along

Now that I've told my story
I'll take another shot of booze
And if anybody happens to ask you
I've got those gamblers blues

Let her go, let her go, God bless her
wherever she may be
She may search this wide world over

never find a sweet man like me

Zo komen we langzaam aan het einde van dit blog, want dit is natuurlijk de versie waarop Eric Burdon & The Animals zich gebaseerd hebben.
Dit is ook de versie die bekend is geworden in de jazzwereld, dankzij mensen als Cab Calloway en Louis Armstrong. Luister ook eens naar de versies van Hugh Laurie, Eric Clapton en Dr. John, en naar die van Van Morrison.

Want dat is het mooie van dit nummer: iedereen kan er mee aan de haal gaan en bijna iedereen doet dat dan ook. Elke versie heeft zijn eigen klank en vaak zijn eigen tekst. En dat is denk ik een van de kenmerken van echt goede muziek.


Overigens vond ik een paar dagen geleden een live-uitvoering door de Big Nasty Jazz Band. Voorlopig blijft dit waarschijnlijk mijn favoriet.


Lees ook: St. James Infirmary






[1] Volgens Robert Hutchinson, De laatste dagen van Hendrik VIII is er echter geen sprake van syfilis, eerder van het syndroom van Cushing.
[2] Uit eigen ervaring weet ik dat bloemen niet echt goed helpen de lijkenlucht te verdrijven. Toen mijn grootvader tijdens een hittegolf stierf en er in zijn bejaardenhuis niet genoeg koelruimtes aanwezig waren om alle slachtoffers van die zomer te bergen, was de lucht bij de uitvaart bijzonder onaangenaam.
[3] Dave Van Ronk, 1936-2002, was een New Yorkse folk singer die ook niet vies was van blues en jazz en die regelmatig werk van Kurt Weill uitvoerde. Bob Dylan en Joni Mitchel zeggen door hem beïnvloed te zijn.