12 jul 2012

Dayna en Dopey



Secret Canon, ook op vinyl
Zoals veel meer mensen zouden moeten weten, is er een nieuw album uit van Dayna Kurtz: Secret Canon vol. I. Robert van Gijssel besteedt er op 4 juli van dit jaar wat aandacht aan op Vk.nl. Officieel is Secret Canon net verschenen maar omdat ik Dayna Kurtz al sinds haar eerste cd (Postcards From Downtown, 2002)[i] volg, was ik wat eerder op de hoogte en in het bezit van deze verzameling onbekende klassiekers. Op haar blog vertelt Dayna Kurtz iets over het hoe en waarom van haar keuzes.
Ik wil in dit en in eventuele volgende blogs zoeken rondom die nummers. Overigens treedt Dayna Kurtz a.s. zondag (15 juli) op in Paradiso.


Deel 1 Sweet Lotus Blossom


Dayna Kurtz  Sweet Lotus Blossom

Soothe me with your caress
Sweet lotus blossom, lotus blossom

Help me in my distress
Sweet lotus blossom, please do

You alone can bring my lover back to me
Even though I know it's just a fantasy

And then knock me clear out
Sweet lotus blossom, please do


Onschuldig als ik ben dacht ik bij deze tekst in eerste instantie aan iets mystieks, iets religieus misschien, iets Boeddhistisch. En zo erg was mijn ongelijk niet, het gaat namelijk over verdovende middelen. Want welke mogelijkheden heb je als je liefde ervandoor gaat? Je grijpt naar de joint, naar de fles of naar god. Het helpt allemaal niet, maar je moet iets.
Dayna verwijst in haar blog naar een eerdere versie, waarvan de titel nog eenvoudig Sweet Marihuana was (1934). Maar de versie die haar noopte het nummer in haar canon op te nemen was die van Julia Lee and her Boyfriends 
.

Laat ik eens gaan zoeken naar muziek over dope, dacht ik toen al snel, maar dan niet iets uit de zestiger of zeventiger jaren, maar eerder. En ik dacht daarbij aan een hilarische scène uit de That 70’s show:’ Reefer Madness’, die regelrecht gejat is van deze clip uit de film met dezelfde titel (1937, In 2007 nog uitgezonden door de VPRO en ook te vinden op Youtube).
Intussen hebben ze van die tot cultfilm uitgegroeide absurditeit ook nog een musical (2001) gemaakt. En een Movie-Musical (2005).


Op de YouTube pagina van Sweet Marihuana staat in het lijstje verwante video’s ook een filmpje met de titel: Betty Boop - Dope Head Blues.
Als je mijn blog Helen Kane vs. Betty Boop et al gelezen hebt, weet je dat ik een zwak heb voor Betty Boop. Ik klikte het dan ook meteen aan. Maar dit is geen compleet Betty-filmpje en haar stem was wel erg veranderd.  
Bob Dylan en Victoria Spivey
Iemand met de nick aw2basc heeft een leuk filmpje bij elkaar gekopieerd en geplakt en er prachtige muziek onder gezet. Je ziet twee versies van Betty, de echte en de -beduidend minder sexy-  gekuiste.
De zangeres is Victoria Spivey. Een leuk mens volgens mij. Halverwege haar carrière besloot ze dat het goed was geweest (of net niet goed) en speelde ze alleen nog maar orgel voor een kerkkoor. Maar ook deze beslissing was geen eeuwige, ze keerde terug in de showbizz, begon een platenmaatschappij, maakte nog een aantal albums en liet daar veelbelovende jonge artiesten als Bob Dylan[ii] aan meewerken.


Victoria Spivey  Dope Head Blues, 1927

Just give me one more sniffle
Another sniffle of that dope (2x)
I'll catch a cow like a cowboy
And throw a bull without a rope

Doggone, I've got more money
Than Henry Ford or John D. ever had (2x)
I bit a dog last Monday
And forty doggone dogs went mad

Feel like a fightin' rooster
Feel better than I ever felt (2x)
Got double pneumonia
And still I think I got the best health

Say, Sam
Go get my airplane and drive it up to my door
Oh, Sam, go get my airplane
And driii-ve it to my door
I think I'll fly to London
These monkey men makes mama sore

The president sent for me
The Prince of Wales is on my trail (2x)
They worry me so much
I'll take another sniff and put them both in jail



En dan nog dit

Pas in 1937 kwam er in de V.S. een federale wet die strengere restricties aan de handel in marihuana verbond. Vier jaar eerder was er een eind gekomen aan de beroemde drooglegging. Jarenlang was alcohol een grotere volksvijand geweest dan marihuana.
Als Cleo Brown The Stuff is Here zingt, bedoelt ze dan ook alcohol. Misschien is het (gezien het jaartal)wel geschreven om te vieren dat er weer gedronken kon worden, al moesten de ramen en de deuren natuurlijk wel nog gesloten blijven. Die tijd, weet ik uit ervaring, is al lang voorbij.

 
Cleo Brown The Stuff is Here, 1935

Lock the windows and close the door,
Start the party up once more!
Hey, hey, let's get gay,
'Cause the stuff is here!

Everybody grab a glass,
'Cause the good stuff's about to pass,
Hey, hey, let's get gay,
'Cause the stuff is here!

Piano man falls upon his stool,
Plays that piano like he's nobody's fool!

Everybody grab that glass,
'Cause the good stuff's about to pass,
Hey, hey, let's get gay,
'Cause the stuff is here!

Lock the windows and close the door,
Start the party up once more!
Hey, hey, let's get gay,
'Cause the stuff is here!

Everybody grab a glass,
The good stuff's about to pass,
Hey, hey, let's get gay,
The stuff is here!

Piano man falls upon his stool,
Plays that piano like he's nobody's fool!

Everybody grab that glass,
'Cause the good stuff's about to pass,
Hey, hey, let's get gay,
'Cause the stuff is here!





[i] In 1997 is Otherwise Luscious Life – Live uitgebracht, maar volgens mij is dat magnifieke nummer alleen nog op cassette verkrijgbaar.
[ii] “I think one of the best records that I’ve ever been a part of was the record I made with Big Joe Williams and Victoria Spivey.   Now that’s a record that I hear from time to time and I don’t mind listening to it.  It amazes me that I was there and had done that.”   Bob Dylan                            
       

30 jun 2012

beter





opmerkelijk dat een vlieg soms ook een wonde heeft
wie gaat daar op zitten?

een kleine soortgenoot die op een warme zomeravond
vuil ruikt dat het lijf verlaat en groeit?

ik denk het niet

omdat het beter is die vlieg met duim en wijsvinger te pakken
aan de vleugels - als je fijngevoelig bent - op te tillen
en van twintig centimeter hoog te laten vallen
dan je mond te sluiten en nooit meer iets te zeggen dan waarom








23 mei 2012

Helen Kane vs. Betty Boop et al

In de wereld van cartoon, comic en tekenfilm zijn er twee vrouwen van wie ik houd. De heftigste liefde geldt natuurlijk Adèle Blanc-Sec: ze figureert wel vaker in mijn schrijfsels. Ze beleeft haar avonturen in het Parijs van de jaren tien en twintig van de vorige eeuw. Het belangrijkste verschil tussen mijn twee idolen is wel dat Adèle de meeste van haar getekende tegenstanders weet te verslaan, maar dat de tweede zelfs mensen van vlees en bloed op de knieën weet te krijgen.
Die andere, eerdere liefde leefde later. Ze trad voor het eerst op in 1930 in een nachtclub voor dieren (we zien o.a. een aap in het publiek) waarin een stel katten een soort can can dansen en waarin zij (dan nog met hondenoren) voor het eerst haar Boop-Boop-a-Doop laat horen: Betty Boop. Die hondenoren zijn een restant uit de periode dat Betty de side kick was van Bimbo the Dog. Die rollen werden al gauw omgedraaid.

Bette Davis
Clara Bow
In de Nederlandse Wikipedia staat dat ze gemodelleerd is naar de filmster Bette Davis. Vooral de ogen van beide iconen zouden daar een bewijs voor zijn. Maar ik voel toch meer voor de Amerikaanse versie van het verhaal. Ik deel het (waarschijnlijke) zwak van de schrijver van het Nederlandse Wikipedia-artikel voor Bette Davis’ ogen, maar die vallen toch meer in de categorie ‘slaapkamerogen’, terwijl Betty Boops ogen vooral groot en rond zijn en ondanks de overvloedig gebruikte mascara iets onschuldigs houden.
 

Helen Kane met Helen Kane pop
Nee, het voorbeeld dat Grim Natwick van de Fleischer-studio voor ogen had, was Helen Kane. Ze was klein en een beetje gezet en ze zong met een hoog piepstemmetje. Haar signature-song was: I wanna be loved by you. Een van haar sterke kanten was het zogenaamde scat-singing : zingen zonder  woorden, met alleen maar klanken. Op het hoogtepunt van haar roem (rond 1928) werden er Helen Kane poppen gemaakt  en waren er Helen Kane lookalike-wedstrijden.

Er zijn nog heuse rechtszaken geweest om deze vreemde vorm van plagiaat. In 1932 namelijk vond Helen Kane dat de karikatuur die van haar gemaakt werd in het personage van Betty Boop haar toch al aflopende carrière op een oneerlijke manier beconcurreerde. Tijdens het proces werd gewezen op de gelijkenis van zowel Boop als Kane met een andere ster uit die jaren: Clara Bow. Fleischer beweerde uiteraard dat Betty Boop een product was van de fantasie van de medewerkers van de studio. Helen Kanes eis werd dan ook afgewezen.

Maar ze gaf nog niet op. Een jaar later namelijk mislukten onderhandelingen tussen Fleischer en een uitgeverij over een papieren comic over Betty Boop. Kane dacht in dat gat te kunnen springen met een strip over haar als de Boop-Boop-a-Doop-girl. Fleischer gaf toe aan de eisen van de uitgeverij en zo kwam er nu ook een Betty Boop Comic. Een tijdje bestonden ze naast elkaar, maar ten slotte moest Helen Kane ook hierin het onderspit delven.

Helen Kanes lijflied is voor de hedendaagse (wat oudere) mens natuurlijk vooral bekend in de uitvoering van een zo mogelijk nog groter icoon: Marilyn Monroe. Het videofragment komt trouwens uit Some like it hot, waarin Monroe de rol speelt van Sugar Kane(!)


Juiste verhoudingen
Parijs, 1 mei 2012
En zo komen we bij het ontstaan van dit blog. Toen D. en ik op 1 mei 2012 door Parijs liepen, zagen we hoe een man in de weer was met een poster waarop het hoofd van Betty Boop gemonteerd was op het lijf van Monroe. Iets stoorde me aan die poster. De verhouding tussen hoofd en lichaam klopt niet. Naar menselijke, Marilynse maatstaven is het hoofd veel te groot. Voor Betty Boop het lijf: haar hoofd beslaat altijd ongeveer een derde van haar lichaam, zoals te zien is op mijn eigen Photoshop-bewerking. Wat wil je ook: anders passen die ogen er niet in.

Een tijd geleden schreef ik een blog waarin ik een filmpje met Betty Boop plaatste. Dat blog ging over St. James’ Infirmary en ik plaatste onder andere de versie van Cab Calloway en zijn orkest.

Cab Calloway affiche
In dit filmpje verzorgt Cab Calloway (de Hi-de-ho man) weer de muziek. Het begint met Prohibition Blues, in feite een kloon van St. James’ Infirmary. We zien Calloway in een nogal typische stijl dansen. Daarna schakelen we over naar de tekenfilm met Betty Boop. Haar ouders blijken een Duitstalige achtergrond te hebben (de Fleischers waren Oostenrijkse Joden). Betty moet van haar ouders haar bordje leegeten, maar dat wil ze niet. Ze wordt zo gek van haar vaders preek dat ze besluit samen met haar hond Bimbo van huis weg te lopen. In een grot ontmoeten ze Cab Calloway, dat wil zeggen ze zien en horen de geest van een walrus die Minnie the Moocher zingt (scat) en danst als Cab Calloway. Alsof dat nog niet eng genoeg is, verschijnen er even later een heks en een aantal duivels. Betty en Bimbo (en de walrus en nog veel meer wezens) vluchten. Ze komen thuis aan. Bimbo duikt in zijn hondenhok en sleept dat aan de ketting mee tot ver achter de horizon. Betty duikt in haar kamertje onder de dekens en is blij dat ze Home Sweet Home is. Helen Kane: scat singing, I wanna be loved by you en Boop-Boop-a-Doop. Alleen via anderen is ze nog bekend. Het lijkt verdorie wel een samenzwering.

Om haar postuum nog enigszins te eren staat hier nog I Have to Have You uit 1929 dat ik op Youtube vond.




2 mei 2012

Léon Werth

Als je over Père Lachaise dwaalt en niemand zoekt, vind je iemand anders. Zo gaat dat in het leven.
Goed, we gingen naar die onverbeterlijke begraafplaats met een missie. Die hebben we volbracht. En toegegeven, we bezochten daarna nog een aantal graven van mensen, gewoon omdat we toch in de buurt waren. Niet helemaal toevallig kwamen we zo bij het graf van Simone Signoret en Yves Montand en even later drie plaatsen rechts van die twee bij de zerk van Francis Lemarque (over wie een andere keer meer).
Maar verder dwaalden we en genoten van al het fraais dat Père Lachaise ook in het geval van een herhaling te bieden heeft. Zeker op een zonnige eerste mei.

Het was dus toeval dat we hem in het columbarium ontdekten: Léon Werth.
Léon Wie? Zullen velen nu misschien denken. Of: Léon Werth? De naam komt me bekend voor, maar waarvan ook alweer?


In 160 talen wordt de naam met een zekere regelmaat voorgelezen aan kinderen of gewoon gelezen omdat hij voorkomt in een boek dat ook voor volwassenen de moeite waard blijft. Léon Werth is de persoon aan wie Le Petit Prince is opgedragen.
Werth was zelf ook schrijver, maar ik denk niet dat hij nog veel gelezen wordt, maar dat hoeft misschien ook niet. Hij heeft zijn plaats in de eeuwigheid verdiend door een vriend te zijn.

« À Léon Werth.
Je demande pardon aux enfants d'avoir dédié ce livre à une grande personne. J'ai une excuse sérieuse : cette grande personne est le meilleur ami que j'ai au monde. J'ai une autre excuse : cette grande personne peut tout comprendre, même les livres pour enfants. J'ai une troisième excuse : cette grande personne habite la France où elle a faim et froid. Il a besoin d'être consolé. Si toutes ces excuses ne suffisent pas, je veux bien dédier ce livre à l'enfant qu'a été autrefois cette grande personne. Toutes les grandes personnes ont d'abord été des enfants. (Mais peu d'entre elles s'en souviennent.) Je corrige donc ma dédicace :
À Léon Werth quand il était petit garçon »


9 apr 2012

Was gesagt werden muss

In ieder geval was een gedicht wereldnieuws.
Dat zie je niet alle dagen. Maar al heel snel ging het niet meer over het gedicht, alleen de (vermeende) inhoud was nog enigszins van belang, maar vooral de vraag of Günter Grass een antisemiet was of niet.
De eerste reacties op het gedicht, of beter naar aanleiding van het gedicht, las ik op NUjij.nl. Ik hoopte daar materiaal te vinden voor mijn blog L’homme dans la rue. NUjij is natuurlijk geen verzamelplaats van verlichte geesten. De reageerders lieten over het algemeen niet merken het gedicht gelezen te hebben. Al snel vernauwden de reacties zich tot het bekende pro- of anti-Israëlgeblaat waarin elke nuance zoek is. Afwisselend was Iran of Israël deel van de As-van-het-kwaad. Daarbij blonken de reageerders uit door een enorm gebrek aan kennis van de geschiedenis en zelfs van de hedendaagse ontwikkelingen. Alleen dat ene punt dat in de tegengestelde kramen te pas kwam, werd aangehaald als bewijs van het absolute gelijk van de eigen kant.
Kortom het werd geen discussie, maar een herhaling van bedenkelijke zetten.

Intussen had ik het gedicht gelezen. Het sprak me wel aan. Nu ben ik natuurlijk een enorme bewonderaar van Grass’ vroege romans (vooral Hundejahre) en in het gedicht herkende ik veel van zijn taal. Ook in de inhoud kon ik me grotendeels vinden, al vind ik de bewering dat Israël als kernmacht een gevaar is voor de wereldvrede wat ver gaan (hoewel: elke kernmacht is natuurlijk een gevaar voor de wereldvrede).
In het gedicht komt de persoonlijke geschiedenis van Günter Grass niet echt aan de orde, al staat er de zinsnede: meine Herkunft,die von nie zu tilgendem Makel behaftet ist, maar dat kan ook over zijn land gaan. In de reacties gaat het natuurlijk al snel over zijn lidmaatschap van de Waffen-SS. Iemand met een dergelijk verleden kan natuurlijk nooit gelijk hebben. Ook niet als je bedenkt dat hij toen 17 was en al jarenlang volgepompt met Nazipropaganda, nee, daarom net: Grass is zijn naziverleden nooit kwijtgeraakt. De reacties van het pro-Israëlkamp vallen – kortom - vaak in de categorie: je hebt me betrapt, nu ga ik jou zwart maken.

Maar dan komen de ‘medestanders’ aan het woord. Die vallen te vaak in de categorie met-zo’n-vrienden-heb-je-geen-vijanden-meer-nodig. Het gaat niet meer over Israël, het gaat over ‘de joden’. Daar zitten dan ook nog een aantal fundimoslims bij, wat de tegenpartij natuurlijk weer bevestigt in zijn gelijk.
Zo komt er geen eind aan de ellende.

Maar in ieder geval is een gedicht wereldnieuws geweest.
Iemand heeft nagedacht, geschreven en min of meer succesvol nuances laten zien.



Was gesagt werden muss

(Günter Grass)

Warum schweige ich, verschweige zu lange,
was offensichtlich ist und in Planspielen
geübt wurde, an deren Ende als Überlebende
wir allenfalls Fußnoten sind.

Es ist das behauptete Recht auf den Erstschlag,
der das von einem Maulhelden unterjochte
und zum organisierten Jubel gelenkte
iranische Volk auslöschen könnte,
weil in dessen Machtbereich der Bau
einer Atombombe vermutet wird.

Doch warum untersage ich mir,
jenes andere Land beim Namen zu nennen,
in dem seit Jahren - wenn auch geheimgehalten -
ein wachsend nukleares Potential verfügbar
aber außer Kontrolle, weil keiner Prüfung
zugänglich ist?

Das allgemeine Verschweigen dieses Tatbestandes,
dem sich mein Schweigen untergeordnet hat,
empfinde ich als belastende Lüge
und Zwang, der Strafe in Aussicht stellt,
sobald er mißachtet wird;
das Verdikt "Antisemitismus" ist geläufig.

Jetzt aber, weil aus meinem Land,
das von ureigenen Verbrechen,
die ohne Vergleich sind,
Mal um Mal eingeholt und zur Rede gestellt wird,
wiederum und rein geschäftsmäßig, wenn auch
mit flinker Lippe als Wiedergutmachung deklariert,
ein weiteres U-Boot nach Israel
geliefert werden soll, dessen Spezialität
darin besteht, allesvernichtende Sprengköpfe
dorthin lenken zu können, wo die Existenz
einer einzigen Atombombe unbewiesen ist,
doch als Befürchtung von Beweiskraft sein will,
sage ich, was gesagt werden muß.

Warum aber schwieg ich bislang?
Weil ich meinte, meine Herkunft,
die von nie zu tilgendem Makel behaftet ist,
verbiete, diese Tatsache als ausgesprochene Wahrheit
dem Land Israel, dem ich verbunden bin
und bleiben will, zuzumuten.

Warum sage ich jetzt erst,
gealtert und mit letzter Tinte:
Die Atommacht Israel gefährdet
den ohnehin brüchigen Weltfrieden?
Weil gesagt werden muss,
was schon morgen zu spät sein könnte;
auch weil wir - als Deutsche belastet genug -
Zulieferer eines Verbrechens werden könnten,
das voraussehbar ist, weshalb unsere Mitschuld
durch keine der üblichen Ausreden
zu tilgen wäre.

Und zugegeben: ich schweige nicht mehr,
weil ich der Heuchelei des Westens
überdrüssig bin; zudem ist zu hoffen,
es mögen sich viele vom Schweigen befreien,
den Verursacher der erkennbaren Gefahr
zum Verzicht auf Gewalt auffordern und
gleichfalls darauf bestehen,
dass eine unbehinderte und permanente Kontrolle
des israelischen atomaren Potentials
und der iranischen Atomanlagen
durch eine internationale Instanz
von den Regierungen beider Länder zugelassen wird.

Nur so ist allen, den Israelis und Palästinensern,
mehr noch, allen Menschen, die in dieser
vom Wahn okkupierten Region
dicht bei dicht verfeindet leben
und letztlich auch uns zu helfen.

7 apr 2012

niets

laten we het over de dood hebben
waarom?
je blijft ouder dan ik
en al heb ik je jaren geleden ingehaald
jij weet alles en ik
ik weet van niets

dat hadden we afgesproken dat het niets zou zijn

of was het toch de pijn
en de hoop dat ik er iets van mee zou nemen
waren we zo klein dat ik nog groeien moest
en jij de mest de regen was
de grond van het bestaan die jij me overliet
de rest waarop ik bloeide?




april 2012

6 apr 2012

Dolf

Hij zit me nog steeds dwars. De jongen met kort geknipt blond haar en blauwe ogen, wiens naam ik vergeten ben, die ook in de tweede klas van het Atheneum zat, maar niet in de mijne, en die - omdat ik in het voorafgaande jaar was blijven zitten - waarschijnlijk een jaar jonger was dan ik. Soms vraag ik me af of hij nog leeft (waarom niet, hij is pas zesenvijftig).
Het was 1969 en zijn vader was lid geweest van de NSB. Daar werd je niet populair mee in die tijd. Zeker niet als je er gewoon voor uit kwam en - erger nog – het gedachtegoed van je vader met hand en tand verdedigde. Soms letterlijk, zoals ik aan den lijve heb ondervonden. Dolf (zo zal ik hem maar noemen, al is dat natuurlijk nogal flauw) was niet extreem sterk. Ik helemaal niet. Hij werd gevoed door woede, ik door verdriet.
We hebben flink wat gevechten geleverd. De meeste met woorden, maar met een zekere regelmaat maakte hij gebruik van zijn fysieke overwicht, draaide mijn rug op mijn arm of gaf me een stomp in mijn maag. Niet omdat hij een hekel aan me had, eerder omdat hij me wel mocht. Ik was tenslotte de enige waarmee hij enig contact had. De rest van de school kotste hem uit. Niet zozeer omdat zijn vader lid was geweest van de NSB – haast niemand wist dat - maar omdat hij met zijn stekeltjeshaar en zijn hoornen bril iets gruwelijk frikkerigs had. Hij hoorde nergens bij.
Ik ook niet, dacht ik. Ik was namelijk een kind met gescheiden ouders. Maar die bestonden toen nog niet, in Heerlen, in 1969, in mijnwerkerskringen en in mijn optiek. Er waren geen scheidingen, geen alleenstaande ouders, geen kinderen waarvan de moeder weggelopen was.
Dolfs ouders waren nog bij elkaar. Ieders ouders waren nog bij elkaar. Hij gebruikte het gegeven als argument. Als ik hem met jarenzestigargumenten om de oren wilde slaan, als ik hem op mijn veertienjarige manier wees op het belang van vrijheid en lange haren, zei hij alleen: maar mijn ouders zijn niet gescheiden.

Dolf was een etterbak.

We zagen elkaar alleen in de pauzes. Hoe we met elkaar in contact zijn gekomen, weet ik niet meer. Maar ik zie ons nog staan. Tussen lange rijen vochtige jassen. Hij steeds te dicht bij. Priemende vinger. Met een onverstoorbaar gelijk. Ik onwillekeurig terugwijkend. Ik vond mezelf een lul, een zwakkeling.
Een keer heb ik hem geslagen. Een droge klets met mijn vlakke hand op zijn iets te bolle rode wangen. Een vrouwenmep, zei hij, een slag die gloeide, maar geen invloed had. Een slag uit woede. Machteloos.

Hij lachte.
Hij moest wel, dacht ik.

Ik heb ook gelachen, toen, maar wist dat het was om wanhoop te verbergen. Ik wist dat het te allen tijde onmogelijk zou zijn hem met woorden te overtuigen. Woorden hadden geen zin. Ze stonden op spandoeken, geleende kreten die we half begrepen.
Soms had ik medelijden met Dolf. Ik stelde me voor dat hij thuis aan tafel zat, aan de lange kant en huiswerk maakte, terwijl zijn vader aan het hoofd zat en las: Mein Kampf natuurlijk. Dolf droeg de korte broek die hij ook naar school aan moest. Af en toe werd hem toegebitst dat hij recht moest zitten. Moeder was bezig in de keuken. Hij kon er niets aan doen, dacht ik. Het was zijn vader die hem maakte wat hij was.
Hij zit me nog steeds dwars. Het zit me nog steeds dwars dat ik na een paar maanden besloot dat ik niet meer met hem wilde praten. Het had toch geen zin. Sindsdien liep ik snel langs zijn vaste plek tussen de kapstokken, zag hem vanuit een ooghoek staan, alleen met zijn broodtrommel. Hij keek niet naar me. Ik volgde mijn klasgenoten. Na de zomervakantie kwam hij niet meer terug. Ik weet niet waarom. Een of twee keer heb ik naar hem gevraagd. Niemand wist iets. De meesten wisten niet eens over wie ik het had. Ook ik wist het al snel niet meer.



2012