10 mei 2016

Godcomplot, deel 1: Raoul Chapkis, Friedrich Nietzsche en Jean Paul

De geboorte van god is in 1962  beschreven door Hugo Brandt Corstius (de vader van Aaf en Jelle, om met Matthijs van Nieuwkerk te praten). Hij deed dat onder een van zijn tientallen schuilnamen: Raoul Chapkis, in het verhaal 'De hoop der mieren' dat te vinden is in zijn onnavolgbare werkje Zes dagen onbedachtzaamheid kan maken dat men eeuwig schreit. 
Men moet dit verhaal natuurlijk niet verwarren met het zogenaamde 'kerstverhaal' zoals we dat kennen uit de Bijbel. Dat verhaal gaat over de geboorte van de zoon van god, niet over die van diens vader. 
Het verhaal van Chapkis is natuurlijk slechts een verhaal, geen waarheid, maar iedere onbevooroordeelde lezer zal erkennen dat het dichter bij de waarheid komt dan het nogal onwaarschijnlijke verhaal over 'Jezus'. 
Had god (of G.O.D.) dan geen kinderen? Natuurlijk wel. Honderden kinderen, misschien wel duizenden, we weten het niet precies. En die kinderen kregen weer kinderen, die weer kinderen kregen, die ook weer kinderen kregen, enzovoorts. Het precieze aantal nakomelingen van god kennen we niet en kunnen we ook niet kennen. Daartoe ontbreekt ons het overzicht.

Chapkis' verhaal over de geboorte van god is niet meer erg bekend. De MSM (mainstream media) doen in samenwerking met de pluchekleverpolitici en de multinationals hun uiterste best het buiten de Canon van Algemene Kennis (CAK) te houden. Brandt Corstius begreep bij het schrijven van het verhaal natuurlijk heel goed dat hij op veel gevoelige tenen zou trappen. Dat het verhaal misschien niet eens uitgegeven zou worden. Daarom 'verstopte' hij 'De hoop der mieren' in een bundel luchtige verhalen. Zijn opzet lukte en het verschijnen van Zes dagen onbedachtzaamheid kan maken dat men eeuwig schreit zorgde voor een lichte opflakkering van het verlangen naar waarheid. Een lichte en vooral een kortstondige opflakkering. 'Grappig' was de meest positieve waardering die het bundeltje in de kranten kreeg. 
Brandt Corstius heeft zich na het verschijnen van zijn bundeltje nooit meer uitgelaten over 'De hoop der mieren'. Dat is jammer, maar ook weer niet echt erg. Ook hij wist niet meer over de waarheid omtrent de geboorte gods. Dat hij met zijn verhaal dicht in de buurt kwam, had vooral te maken met de kracht van zijn analytische brein. Die kracht bezorgt hem een plaats in de annalen van de ware kennis.
Ik plaats hier (in roofdruk) het verhaal 'De hoop der mieren' in de -waarschijnlijk ijdele- hoop andere waarheidszoekenden op een spoor te zetten naar een antwoord op de vragen omtrent de geboorte van god.

de hoop der mieren

Belangrijker dan de geboorte van god is zijn dood. We leven tenslotte in een tijdsgewricht  waarin de strijd tussen 'gelovigen' en 'atheïsten' tot ongekende hoogten reikt. Een vreemde strijd, want natuurlijk bestond god en even natuurlijk was het nooit de god zoals die beschreven werd in allerlei 'heilige boeken'. Maar deze wetenschap is helaas voorbehouden aan slechts enkele ingewijden. De bronnen van hun inwijding zijn zeer divers. In mijn geval is de oorsprong van verlichting te vinden in een song van Nina Hagen. In 'Auf'm Friedhof' zingt ze, zonder duidelijke aanleiding opeens de volgende  zinnen: 'Gott ist tot, the lord ist fort'. Nou nee, ze zingt het niet zelf, ze laat het, enigszins zwak, de duivel zeggen. 


Zoals bekend is Nina Hagen na haar eerste en sublieme album 'Nina Hagen Band' in enkele etappes volslagen gek geworden. 

Laten we terugkeren naar de dood van god en laten we ons daarbij in eerste instantie concentreren op het tijdstip. Wanneer is god gestorven?
Een precieze datum weten we ook hier niet, maar vrij algemeen wordt als vaststaand aangenomen dat het voor 1882 moet zijn geweest. In dat jaar immers verscheen Die fröhliche Wissenschaft van Friedrich Nietzsche, waarin de bekende zinsnede: "Gott ist todt! Gott bleibt todt! Und wir haben ihn getödtet!" 

Dat klinkt vrij overtuigend, maar er wordt ook wel verwezen naar het iets minder bekende werk van Jean Paul uit 1796: „Rede des toten Christus vom Weltgebäude herab, dass kein Gott sei“, maar hoe verleidelijk die optie ook lijkt, vooral ook gezien de rol die Christus in het werk speelt, moeten we haar toch afwijzen als mogelijke hulp bij de datering van gods dood. Jean Paul laat Christus een vraag beantwoorden die 'de doden' stellen: "Christus! Ist kein Gott?" "Es ist keiner."  Even verderop zegt Christus dat ook hij een wees is: „Wir sind alle Waisen, ich und ihr, wir sind ohne Vater“.
Dit lijkt natuurlijk te verwijzen naar de dood van de vader, van god, maar even later meldt de achrijver dat alles maar een droom was, een verschrikkelijke (voorspellende?) droom van wanorde en chaos, vergelijkbaar misschien met 'Losing my Religion' van R.E.M.


Losing my religion


In 1796 voorspelde Jean Paul dus gods dood, in 1882 kon Nietzsche die dood verkondigen. God stierf dus in de periode die we kennen als de Romantiek. In een periode dus waarin de Verlichting nog ruimschoots doorwerkte in de wetenschap, maar waarin het donker alweer groeide. Waarin de ratio bloeide maar waarin ze monsters begon te baren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan (het monster van) 'Frankenstein' (1818, tweede, verbeterde uitgave 1831) van Mary Wollstonecraft Shelley.  Shelley schreef haar verhaal, althans de eerste aanzetten daartoe, tijdens een ontmoeting met de dichter Lord Byron, die toen in Zwitserland verbleef.
En Lord Byron was dan weer de vader van Ada Lovelace (completer: Augusta Ada Byron King, Lady Lovelace, 1815-1852). Over Ada Lovelace, Charles Babbage en een definitievere datum van gods dood gaan we het de volgende keer hebben.


Deel 2: Ada en Linda 

Internet en porno: een pot nat 

2 mei 2016

Angela (3e versie)

3 versies

In februari schreef ik een kort verhaal met de titel Angela. Het idee was het in te sturen voor een wedstrijd die te maken had met de boekenweek van dit jaar waarvan het thema 'Duitsland' was. Omdat het verhaal maar 500 woorden lang mocht zijn, schoot het niet erg op. Toen ik het uiteindelijk meende te kunnen opsturen vroeg ik de datum nog maar eens na. Het had een week eerder af moeten zijn. 
Ik plaatste het op mijn blog, maar weet eigenlijk niet meer of ik het ook via facebook en twitter aankondigde. Nou ja, wie het alsnog wil lezen, het staat in de inhoudsopgave aan de rechterkant van deze pagina. Het is geen goed verhaal.

Daarom herschreef ik het, het onderwerp beviel me nog steeds. Er ontstond een tweede versie, die op wonderbaarlijke wijze weer 500 woorden omvatte. Dat aantal hoort blijkbaar bij het verhaal. Er kwam wat meer aandacht voor een ultrakorte episode uit de Duits-Nederlandse geschiedenis. 
Vandaag heb ik weer het een en ander aan herschreven. Bij een verhaal van 500 woorden is elk woord dat je verandert een grote verandering. 

Het gaat over een politica die geen mens mocht zijn.



Angela

Laten we eerlijk zijn, het plan was goed. U zou verbaasd zijn geweest een vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten. Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de grensovergang naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk, u zou verbaasd zijn geweest. U zou gevraagd hebben of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op een handtas en een soort strandhoed in haar schoot. Het zou overal een ongewoon gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de bosrijke grensovergang tussen Aken en de Belgische gemeente Raeren. 

Ik herkende haar meteen, maar wist ook wie ik moest verwachten. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde haar rechterschouder op. Wilde ze iets eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, daar staat mijn auto, maar waar de grens precies loopt? Geen idee. Zet je hoed op" 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, via rustige weggetjes door de Voerstreek naar Moelingen en de grens over naar Eijsden, om daar de trein naar Maastricht te nemen. "Ik ben een van de weinigen die nog iets van die geschiedenis weet." Ze begreep niet wat ik bedoelde, dus vertelde ik haar hoe keizer Wilhelm II in 1918 vanuit Spa naar Eijsden werd gereden en van daaruit per hoftrein verder reisde naar Kasteel Amerongen. Van daaruit ging hij in 1920 naar Doorn. Ze knikte: "Keiner kennt diese Geschichte". 

Maar we kwamen niet in Eijsden. We zaten net in mijn auto toen van achter de friture mannen verschenen. Banden rond hun bovenarm. P.E. stond er op. We zagen geen wapens.
Ze sloeg haar armen om me heen en kuste mijn wangen. "Danke!", fluisterde ze, en: "Wir schaffen das."













30 apr 2016

Beledigen, een inleiding


Beledigen is een kunst. 
En zoals dat gaat in de kunst zijn de meeste beoefenaars amateurs. Slechts een enkeling weet door te dringen tot de kringen van erkende meesterbeledigers.
Er bestaat geen echte opleiding tot belediger, en als ze al zou bestaan, zou het volgen en met succes afronden van die opleiding geen garantie zijn voor succes. De belediger moet natuurlijk talent hebben en een goed gevoel voor de tekenen der tijd. Daarnaast moet hij (of zij, al zijn er beduidend minder vrouwelijke dan mannelijke beledigers) een passend podium zien te vinden. Of het podium hem natuurlijk.

Het materiaal
Beledigen is vooral een zaak van het woord, al kennen we natuurlijk grote beledigers die vooral  visueel werken. Een gedegen kennis van de finesses van de taal waarin men wenst te beledigen, is daarom van het grootste belang. 
Een onder amateurbeledigers veel voorkomend misverstand is dat beledigen iets te maken zou hebben met (uit)schelden. Ook het gebruik van aanduidingen voor de voortplantingsorganen en de acties die daarmee kunnen worden verricht, staan meestal mijlenver af van het echte beledigen. 
En, tot slot, elk woord kan, mits juist gebruikt, beledigen. 

De beledigde
Iedereen kan beledigd worden, sterker nog iedereen wordt beledigd, althans er worden jegens iedereen pogingen tot belediging ondernomen. Of die pogingen succesvol zijn, is voor een groot deel afhankelijk van de geestelijke gesteldheid van het slachtoffer. Let daarbij wel op het volgende: hoe zwakker een slachtoffer in zijn schoenen staat, hoe onbevredigender het beledigen. De professionele belediger is dan ook voortdurend op zoek naar de schijnbaar onaantastbare, naar de onaangedane die met welhaast goddelijke gemoedsrust de aanvallen van het beledigersgilde doorstaat en die geen enkele vorm van wraak of zelfs gedachte aan wraak in zijn belevingswereld toelaat. Menig getalenteerde belediger is tot waanzin gedreven door zijn vruchteloze pogingen een dergelijke onmenselijke kalmte te doorbreken. 

Uitschelden is geen beledigen.
Ik heb hierboven al gesteld dat vooral amateurs in het beledigen zich bezondigen aan het gebruik van (uit)scheldwoorden. Daarmee wil ik niets zeggen ten nadele van die woorden. Er zitten juweeltjes bij. Al sinds enkele jaren ben ik een onregelmatig bezoeker van de Duitse site schimpfwörter.de. Daarop zijn enkele duizenden Duitstalige scheldwoorden verzameld en ze hebben er ook een heuse top 50.
Boven aan die lijst staat al zolang ik de site bezoek het woord Steckdosenbefruchter (in het Nederlands: stopcontactbevruchter). Een terechte nummer 1, want je combineert een aantal pejoratief bedoelde gegevens in een woord. Je moet, om een stopcontact te kunnen bevruchten wel een heel erg klein piemeltje hebben, ten tweede impliceer je dat de aldus benoemde persoon geen vrouw, zelfs geen levend wezen (denk aan geiten, kippen en mieren) meekrijgt om zijn seksuele behoeften te bevredigen. Tenslotte suggereer je dat deze man niet meer helemaal bij zijn verstand is: vandaar of door de electroshocks die hij zichzelf toedient. 

Veel van de scheldwoorden op deze site hebben een seksuele achtergrond. Soms zijn die van een dusdanige platheid dat ik de gebruiker ervan meteen uit mijn vriendenkring zou verstoten. Denk hierbij aan de nummer 3 uit de lijst: Sohn einer blutpissenden Hafenhure (Zoon van een bloedpissende havenhoer). Andere daarentegen zijn weer mooi: Fickfehler (Neukfout, ook in het Nederlands door zijn gelijkenis met 'drukfout' een sterke, nummer 8). Er staan ook enkele sterke, niet seksueel getinte scheldwoorden in die ik u niet wil onthouden: Rechtschreibüberprüfungsprogrammbenutzer (spellingcheckergebruiker, nummer 23) kan pijnlijk zijn voor een talenmens als ik en is vooral ook fraai door zijn 'typisch Duitse' overdreven lengte.) Leuk zijn verder: Evolutionsbremse (evolutierem) en Aushilfsamöbe (hetgeen ik zou willen vertalen met Amoebe Ad Interim). 
Mooie, goede scheldwoorden bereiken echter vaak net het tegendeel van wat een echte belediger beoogt: het doelwit schiet in de lach, slaat de spreker amicaal op de schouder en nodigt hem uit een drankje te nuttigen op zijn kosten. 

Anders is het gesteld met het 'FuckErdogan' dat Ebru Umar in een van haar tweets bezigde. In mijn herinnering schreef ze het aan elkaar, als een woord. Dat is belangrijk. Had er 'Fuck Erdogan' gestaan dan had men de tweet (ten onrechte) kunnen uitleggen als een oproep Erdogan te neuken. Een dergelijke oproep is natuurlijk geen belediging. Maar als je er die betekenis aan wil geven dan is het weer de vraag aan wie die oproep gericht was. Maar zo moet je het woord 'fuck' natuurlijk meestal niet lezen. Het woord 'fuck' wordt vaker in een vrij algemene negatieve betekenis gebruikt dan dat de daad die het woord beschrijft daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Maar Umar schreef het woord en de naam ook nog eens aan elkaar. 'Fuckerdogan'. 'Fuck' wordt dan een soort bijvoeglijk naamwoord bij 'Erdogan'. Ze had bijvoorbeeld ook 'klote-Erdogan' kunnen schrijven. Is dat dan een belediging? Natuurlijk niet, het is een mening verpakt in een scheldwoord. Het is als met de befaamde hamer op de duim bij het inslaan van een spijker: de 'fucks', 'kloten' en 'kutten' vliegen om je oren. Je bent boos, hebt pijn en moet iets kwijt. Het lost niets op, het lucht op.

Kan een leugen beledigen?
'FuckErdogan' is dus geen belediging, het is een schreeuw tegen de pijn. Maar wat dan te denken van Böhmermanns gedicht, althans van bepaalde delen daaruit. Hij zegt ergens in zijn gedicht dat Erdogan naar pedopornofilms kijkt. Dat is een leugen. Althans daar ga ik even van uit. Ik wéét het niet. Maar Böhmermann ook niet. Ik neem tenminste niet aan dat hij inzage heeft gehad in bepaalde geheime documenten waarin dat vermeld zou staan. Kortom, hij roept maar wat. En datgene wat hij roept, sluit (niet geheel toevallig, vrees ik) aan bij opmerkingen die je op reageersites als NuJij.nl  regelmatig tegenkomt. Die opmerkingen gaan dan over de profeet Mohammed. Die is op een gegeven moment getrouwd met een meisje ver beneden de tegenwoordig daarvoor toegestane leeftijd. Enkele jaren later zou Mohammed dat huwelijk ook 'geconsumeerd' hebben. Kortom, zegt men op NuJij, Mohammed was een pedo. Erdogan is moslim en dus een 'aanhanger' van Mohammed en dus, zegt men (nog steeds op NuJij) is ook Erdogan een pedo, althans een pedopornofilmkijker. Dat is een logica van likmevessie natuurlijk, maar het is een logica die opgeld doet. 

Daarna waren er in Nederland bepaalde mensen van Turkse komaf die de arrestatie van Umar toejuichten. Dat vond ik geen fraai gezicht. Je mag natuurlijk een hekel hebben aan bepaalde columnisten, mijn favoriet is Umar ook niet, maar we wonen nu eenmaal in een land waarin mensen onzin mogen uitkramen. De woorden 'hoer'  en 'aandachtshoer' werden vaak gebruikt. Deze woorden vallen natuurlijk over het algemeen onder de noemer 'scheldwoorden'. En meestal zijn ze ook een leugen. Umar is net zo min een hoer als Erdogan een pedopornofilmkijker is. Daarbij geldt natuurlijk ook nog eens dat ook een hoer de waarheid kan spreken. Het ontkracht de vermeende belediging richting Erdogan dus niet. 

Maar goed, heeft Böhmermann Erdogan nu beledigd of niet met zijn 'pedopornofilmkijker'? De eerste vraag die gesteld moet worden als het over beledigen gaat, is, hoe zou u reageren? Not amused, schat ik in. Als iemand u zo zou noemen, terwijl er ook nog eens een heleboel mensen meeluisteren, zou u zich op zijn minst nogal ongemakkelijk voelen. Een ongefundeerde beschuldging!  In een kroeg zou zoiets allicht tot een fikse vechtpartij kunnen leiden.
Kortom, Böhmermann gaat te ver in zijn gedicht. Als hij zich had beperkt tot de opmerkingen die te verdedigen vallen, had hij een sterker punt gemaakt. 
Maar (in de kroegcontext) is Erdogan dan die andere partij. De partij die erop los wil gaan slaan. De beledigde partij die tot kalmte moet worden geroepen door vrienden. Vrienden. Heeft Erdogan vrienden? Of wordt hij straks gearresteerd omdat hij een kroeggevecht begon?

Kan de waarheid beledigen?
Zo komen we dus bij de vraag wat waar is en wat niet. Umar noemde Erdogan in een tweet 'de megalomaanste dictator' sinds de oprichting van de Turkse staat. Ik weet vrij weinig van de Turkse geschiedenis, althans ik kan er weinig namen bij plaatsen. Atatürk, natuurlijk, de Jonge Turken. Daarvoor een verzameling Süleymans, maar verder eigenlijk alleen Erdogan en lange stromen militairen. Zijn neiging iets te willen doen aan mogelijke beledigingen, zelfs aan mensen met tegenstrijdige politieke inzichten wijst wel op een zekere vorm van megalomanie. 

De vraag die we nog moeten beantwoorden is of Erdogan een dictator is of niet. Hij is democratisch aan de macht gekomen, dus dat spreekt dictatorschap tegen. Maar Hitler is ook gekozen, dus tja. Ook Hitler begon als een leider die in eerste instantie allerlei goeds voor zijn land leek te bereiken (Lees Anmerkungen zu Hitler van Sebastian Hafner). 
Maar of hij het nu is of niet: vatte Erdogan de betiteling 'dictator' op als een belediging?
En op die vraag kan ik, denk ik, een antwoord geven. Een kort antwoord: Nee.
Maar ik heb daar geen bewijzen voor. Democratische verkiezingen zijn voor hem een middel, hij heeft de democratie zeker niet geïnternaliseerd. Stel dat mijn moeder, of Erdogans moeder een hoer zou zijn (geweest), is de betiteling 'hoerenzoon' dan een belediging? Nee, al is de omschrijving misschien niet erg verfijnd.

Maar, als de waarheid niet kan beledigen en de leugen eigenlijk ook niet, wat blijft er dan nog over? Als Böhmermann probeert te beledigen, moet Erdogan dan reageren?
Zoals ik hierboven al min of meer aangaf, is reageren op een belediging altijd een zwaktebod. Dat weet Erdogan natuurlijk ook. Of anders heeft hij wel adviseurs die dat weten. Waarom reageert hij dan toch op de manier waarop hij reageerde? Is het de megalomanie waarvan Umar hem beschuldigde? Voelt hij zich door zijn positie in het vluchtelingengesprek gesterkt om meer, absurdere eisen te gaan stellen? De opmerkingen van Böhmermann en Umar interesseren hem toch niet echt? Ze zijn in zijn ogen toch zeker onbeduidende minkukels? Waarom trapt hij naar wat in zijn leven, zijn 'macht' niet meer dan Aushilfsamöben kunnen zijn? Heeft het te maken met de macht van pen en zwaard? Is hij gewoon bang? 
Ik kan het antwoord op die vraag niet geven. Natuurlijk niet. Maar het gaat in ieder geval wel om meer dan alledaagse politiek. Hij wil Turkije en vooral zichzelf positioneren als macht tegenover de afwijzende welvaart van Europa, tegenover de directievengevende macht van de Nato, tegenover de Koerden die best Koerd mogen zijn als ze vooral Turk zijn, tegenover het ongeregelde zootje in Syrië en vooral tegenover het vrij grote deel van de Turkse bevolking dat Erdogan zat is. En dan maakt hij zich druk om Umar en om Böhmermann? 

En nu?
Vanaf nu is Erdogan geen doelwit meer voor de ware beledigers. Hij heeft zich al laten raken. Geen uitdaging meer. Hij heeft het ons te gemakkelijk gemaakt. Door zijn aanklacht, door zijn misbaar, door zijn brief aan de consulaten heeft hij van de scheldwoorden 'pedopornokijker' en 'geitenneuker' politieke begrippen gemaakt. Het woord 'megalomaan' gecombineerd met 'dictator' was dat altijd al. Politieke begrippen en beledigingen die daaruit voortkomen vallen onder de vrijheid van meningsuiting. We mogen ze dus gebruiken. Maar we doen het niet. Want beledigen is een kunst. Machtsmiddelen gebruiken tegen een kunstuiting is dictatoriaal. Plagiëren van kunst is een doodzonde.




27 feb 2016

Teamblog



Jaren, jaren, jaren geleden moest ik van mijn middelbare school (Bernardinus College) naar een toneelstuk gaan kijken in de Stadsschouwburg van Heerlen. Huis Clos van J.P. Sartre. In dat stuk, dat zich afspeelt na de dood van de drie personages komt een wereldberoemde zin voor: "L'enfer c'est les autres". 

Wikipedia zegt daar het volgende over:
Met dit citaat, dat Sartre zware beschuldigingen heeft opgeleverd, bedoelt hij slechts dat het leven "wordt gevoeld, wordt beschouwd" door middel van de anderen; het zijn de anderen die ons bewust maken van onszelf en van de triestheid van het bestaan, en we hebben hen nodig om te bestaan. De drie protagonisten treden voortdurend met elkaar in discussie in een poging om aan hun situatie te ontsnappen, maar het is de hel die telkens opnieuw het pleit wint.

Ik weet niet zeker of ik het met deze softe uitleg van Sartre eens ben, volgens mij bedoelde de scheefgebekte filosoof gewoon wat er staat: De hel, dat zijn de anderen". Of, in het Engels: Hell is other people.

En dat laatste is dan weer een titel van de veel te weinig geprezen Nederlandse band Bettie Serveert. 



Bettie Serveert bestaat al langer dan sommige leden van ons team. Na een bescheiden beginnetje in 1986, begon het echte werk in 1990. Omdat ik in dat jaar ook al niet meer helemaal piep was, had ik in eerste instantie zoiets van: och ja, laat die jonkies, leuk. Ik kende de naam, had sporadisch iets gehoord, maar nou ja…

Pas na 2000 ontdekte ik de band voor mezelf. Dat kwam door de cd (dat is zo'n zilverkleurig rond plaatje, dat je in een apparaat kunt stoppen dat dan muziek laat horen) Log22. En van dat album dan weer vooral het nummer White Dogs.
Maar vooral kwam het natuurlijk door mezelf en allerlei gebeurtenissen in mijn leven. Daar ga ik nu niets over vertellen. Ik zal alleen een stukje uit de lyrics citeren:

I'm not your conquest, you can't conquer me
And you'll never tie me down unless you set me free.
(it's not just a word, you know)

Wat je met dit stukje tekst doet, moet je helemaal zelf weten. En ook de interpretatie van het zinnetje Hell is other People laat ik helemaal aan jou over.
(Het nummer is uiteraard te vinden op Spotify, niet op Youtube helaas, even zoeken dus.)

Zaterdag 12 maart treedt Bettie Serveert op in de ECI. Geheel tegen mijn gewoonte in wil ik mij een keer ontworstelen aan de Maastrichtse geneugten (i.c. Dianne) om samen met een stel van jullie daar eens naar toe te gaan. Gewoon voor de leut, of bij wijze van teambuilding. Nah, vergeet dat van die teambuilding, want bij concerten van goede bands ben ik altijd uitermate ongezellig, ik maak er dan namelijk een gewoonte van naar de muziek te luisteren. Tja.
Voel je tot niets verplicht, dat doe ik ook niet.



Ik hoor het wel.

21 feb 2016

Angela

Laten we eerlijk zijn. Zou u haar daar hebben verwacht? Zou u niet verbaasd zijn geweest een (deze) vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten? Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de voormalige grenspost naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk zou ook u verbaasd zijn geweest. En ook u zou hebben gevraagd of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo erg dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op de handtas in haar schoot. 
Het zou overal een vreemd gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de grensovergang tussen Aken en het Belgische Raeren. 

Ik zag meteen dat zij het was. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, bedacht ik, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde een schouder op. Of ze iets wilde eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, dat weet ik zeker, maar waar de grens precies loopt? Geen idee." 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden, de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we dadelijk in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, door de Voerstreek naar Moelingen en daar de grens over naar Eijsden. Als ze wilde, zou ik haar daar op het stationnetje afzetten. Dan kon ze van daaruit naar Den Haag. Of ik kon haar in Maastricht afzetten. Had ze geld? Ze knikte. 
Ik opende het portier. Ze stapte in. Vanuit de friture vier ogen. Ze verborg haar gezicht in het handtasje in haar schoot. 

Op het perron van station Eijsden kuste ik haar en wenste haar succes in Den Haag. "Groeten aan Mark." zei ik zo luchtig mogelijk. Ze liet mijn hand los, maar stapte niet in. "Hoe ver is Maastricht?"  vroeg ze. "Kilometer of tien". 


Ik parkeerde voor mijn deur. Jullie omsingelden de auto, zeiden mij uit te stappen, naar binnen te gaan. De volgende dag las ik het bericht.

23 jan 2016

Snökuken

Het beste bericht van dit jaar is binnen. Gelukkig al vroeg, zodat we 2016 goed door kunnen komen.
Ik hoorde het bericht op Radio 1 toen ik van mijn werk naar huis en naar het weekend reed. Ik zal het verhaal hier kort noteren voor de mensen die er nog niet van gehoord hebben via de social media, waar het deze middag trending was. Het gaat over Snökuken oftewel een sneeuwpenis. Die penis was te vinden in Göteborg.
Ik weet niet wie de eerste versie heeft gemaakt op een of ander meertje in die stad. Maar omwonenden namen er aanstoot aan. En zo werd het al een soort kunst. De gemeente werd gebeld en besloot dat de stad niet geassocieerd moest worden met deze ijskoude fallus. De brandweer werd op pad gestuurd, maar moest al gauw melden dat het ding niet verwijderd kon worden. Het ijs waarop de afbeelding te vinden was, was veel te dun geworden. Een glazenwassersbedrijf bood uitkomst: met een lange glazenwassersborstel werd het geval weggepoetst. 
De penis had intussen wel een redelijk grote schare fans weten te verzamelen. Die zetten hun bezwaren tegen deze beperking van de vrijheid van meningsuiting massaal op allerlei social media, o.a. Facebook. De glazenwasser ontdekte dat en besefte dat hij een ernstige fout had gemaakt. Hij reageerde op de Facebookpagina die was geopend om het verlies van het kunstwerk te betreuren. Hij betuigde zijn spijt. Hij noemde de originele sneeuwpik kunst, merkte op dat kunst nooit verwijderd mag worden en beloofde iets te doen aan het probleem. Hij nam een handig sneeuwblazertje mee naar een veldje aan de rand van de stad en vormde zo een nog veel grotere en betere penis.

Deze man (Emilian Sava) verdient een standbeeld. Niet om de afbeelding van de gigantische penis (geschat op zo'n 100m lengte), helemaal niet om het verwijderen van de eerdere kleinere versie (ca 10m) van een broeder in de kunst waarvan hij waarschijnlijk ook de naam niet wist. Nee, omdat hij binnen een paar dagen een reis heeft gemaakt. Een wereldreis. 
In den beginne was hij waarschijnlijk een eenvoudige glazenwasser die een kans zag bij de gemeente Göteborg in the picture te komen. "Ik ruim die rotzooi wel voor jullie op! Denken jullie aan me als er nog ramen te lappen vallen?" Hij liet zijn werkzaamheden filmen. Dat filmpje zou hij op Facebook zetten, misschien leverde het hem ook nog andere klanten op.

Thuisgekomen vertelde hij zijn vrouw over zijn belevenissen van die dag. "Weet je wat ik vandaag gedaan heb? Ik heb die pik weggehaald van die vijver! Leuk he?" 'Leuk." zei zijn vrouw. 
Die avond plaatste hij het filmpje en keek nog wat rond op Facebook. Hij ontdekte de commotie. Zijn geweten begon te knagen. Hij stelde zich talloze mensen voor die langs dat vijvertje hadden gewandeld, daar een grote Snökuken hadden ontdekt, en een grijns, of op zijn minst een glimlach niet hadden kunnen onderdrukken. Schuld knaagde. En schuld, dat weten we, is de basis van alle kunst. Hij sliep slecht die nacht.

Fröken (zijn vrouw) voelde die nacht al gauw een zekere koelte in bed. Emilian was al opgestaan, ze hoorde hem rommelen in het schuurtje achter in de tuin, ze hoorde hoe hij zijn auto startte, 'Ik hou van je, gek,' mompelde ze en draaide zich nog eens om.

In de vroege ochtend vormde Emilian de nieuwe sneeuwpik. Ook deze activiteit liet hij filmen. Ook dit filmpje wilde hij op Facebook zetten, maar met een andere, een betere intentie. Dit was kunst, wist hij. Kunst en bescherming, verdediging van kunst. Deze pik had een boodschap. controversieel misschien, maar een boodschap. De vrijheid van menigsuiting natuurlijk: als iemand een pik wilde tekenen in de sneeuw dan moest dat kunnen. Maar het ging verder. Het had ook te maken met de nieuwste ontwikkelingen in zijn land en in Europa. De toegenomen onverdraagzaamheid, de groeiende angst. En van de andere kant het allerzijds toegenomen onbegrip voor vrijheden die hier zo lang normaal waren geweest. 
Hij vermoedde dat een honderdvijftig meter grote erecte penis niet door iedereen zou worden begrepen als een symbool van liefde en begrip. Maar kunst, dacht hij, is nooit eenduidig. 

Intussen floreert Emilians bedrijf. Iedereen belt of mailt hem. Tv en radio, kranten, bloggers. Hij neemt mensen in dienst. Geld stroomt binnen. Hij gaat met Fröken naar het duurste restaurant van de stad, waar een kogelregen door het raam een einde maakt aan hun levens.
De daders zijn nooit gevonden.


Maar nee, zo gaat het niet. Emilian, mijn Emilian en zijn Fröken leven nog, alle drie, natuurlijk. Want dat verdienen ze, al bestaat alleen de eerste. Dit zijn de verhalen die blijven, moeten blijven. Dit zijn verhalen waarin is nagedacht en die (daarom) een eind maken aan de idiotie van de extremen.


Het filmpje





15 nov 2015

Grenstaal



Het leuke van een taal is dat ze zich weinig aantrekt van landsgrenzen. Weinig, niet niks. Als ik hier in Maastricht de grens naar België oversteek en bijvoorbeeld een praatje maak met een inwoner van Heukelom dan kan ik dat meestal doen in het Maastrichts. De dialecten lijken zoveel op elkaar dat er geen misverstanden mogelijk zijn. Vaak zijn de enige verschillen die ik hoor – als niet-native speaker van het Maastrichts – de omkering van de uitdrukking ‘vast en zeker’ naar het Vlaamse ‘zeker en vast’ en het Vlaamse stopwoordje ‘se’. Met Vlaams bedoel ik dan de taal zoals die in geheel Vlaanderen gesproken wordt, het Belgisch-Nederlands of Zuid-Nederlands. Wikipedia zegt daar het volgende over: 


Het Vlaams wordt momenteel niet als officiële taalbenaming erkend, hoewel die benaming officieus wijd verspreid is. Volgens velen is het Vlaams erg verschillend van het in Nederland gesproken Nederlands, en ook van het Standaardnederlands zoals officieel vastgesteld door de Nederlandse Taalunie. Het “Vlaams” (of "Zuid-Nederlands") verschilt van het "Noord-Nederlands" op het gebied van uitspraak, woordenschat en zinnen.


Limburgs (Lichtblauw is Ripuarisch in Nederland)
In België wordt het Belgisch-Limburgs dan een Vlaams dialect genoemd. Het Nederlands-Limburgs in Nederland een Nederlands dialect. Maar als je het zo naast elkaar zet, ziet iedereen natuurlijk dat dat onzin is. Aan beide zijden van de grens wordt Limburgs gesproken. Aan de ene kant met steeds groeiende Vlaamse en aan de andere kant met een steeds groeiende Nederlandse invloed. Heel langzaam is hier een soort taalgrens aan het groeien. Een taalgrens van een heel andere orde dan die tussen Vlaanderen en Wallonië, maar toch een scheiding. Het Limburgs is in Nederland, België en Duitsland een minderheidstaal.



Als je vanuit Maastricht zo’n 30 kilometer naar het oosten gaat, steek je weer
Ripuarisch (blauw)



een taalgrens over, nu die tussen het Limburgs (= Südniederfränkisch) en het Ripuarisch of Nordmittelfränkisch. Tot die dialectgroep behoren bijvoorbeeld het Kölsch en het Öcher Platt (Keulen en Aken) maar ook het Kerkraads en het Vaals’ (Kirchröatscher en Volser plat). Het Limburgs is voor de meeste Nederlanders nog wel redelijk te volgen. Het Ripuarisch meestal niet. Zelf versta ik het goed, maar het spreken kost vrij veel moeite.

Als illustratie plaats ik hier een citaat uit de Ripuarische Wikipedia: 


Ripoarėsch Sprooche eß enne Bovverbejreff för Sprooche ussem Rhingland uß dä Jääjend zwesche St. Vith, Aahwieler, um Kirchroa, Nüss, Düsseldorf, Jläbbisch, Waldbröl, Siburg, Remaren, met Oche, Bonn un Kölle dren. Et jitt enne Houfe Ripoarėsch Sprooche, jood mii wi 120, un fass övverall sin se sesch jannz äänlėsj, wenn et de Nohpere sin, un de Ungersheed weede emmer jrüüßer, wënn_se wigger usseneeijn sinn. Esu jet weed og e Dijalekskontiinuum jenannd.


Ook deze taal wordt dus in drie landen gesproken: Duitsland, België en Nederland, maar ze gaat in al die landen ook steeds verder achteruit, zoals dat nu eenmaal gaat met dialecten. Is dat erg? Wat onvermijdelijk is, kun je misschien beter niet erg vinden. Vervelend is wel dat dit dialect, zoals zo veel andere, inmiddels verwordt tot het brabbeltaaltje van carnavalisten en vroegerfetisjisten, waardoor nieuwe teksten in die taal meestal niet verder komen dan stompzinnig geneuzel en Vrujjer woar alles besser.



Taal is het middel bij uitstek om mensen te verbinden, al lijkt het vaak net de andere kant op te worden gebruikt. Zeker in de tijden van de natiestaat was (en is) taal een belangrijk middel tot eenwording binnen de grenzen en tegelijkertijd een afgrenzing naar buiten. Doordat de contacten en de mobiliteit binnen die natiestaten groeiden, ontstond er een soort standaardtaal. Op dialecten daarvan (of dat nou een correcte term voor de taal uit een bepaalde streek was of niet) werd neergekeken. Het was en is de taal van de achtergeblevenen.



In die tijd werd Heerlen het centrum van de kolenwinning en de bijbehorende industrie. Tot die tijd werd in Heerlen natuurlijk ook een dialect gesproken, een soort mengvorm tussen het Limburgs en het Ripuarisch, of misschien moet ik zeggen Limburgs met Ripuarische invloeden. Er zijn niet meer veel Heerlenaren die die taal beheersen. Dat komt doordat uit alle delen van Nederland, vooral uit de armere natuurlijk, mensen kwamen toestromen om hier te werken. Ook uit verschillende buitenlanden (Polen, Italië) werden mensen aangetrokken. Dat vroeg natuurlijk om een gemeenschappelijke taal. Dat werd het Steenkolen Hollands waar Heerlen nog steeds bekend om staat. Zelf ben ik min of meer tweetalig opgevoed. Thuis spraken we dialect. Mijn grootvader sprak Nederlands (de Overijsselse variant), mijn vader en zijn broers spraken onderling Nederlands. Met zijn zus sprak hij dan weer dialect. Op school spraken en leerden we Nederlands. Door die tweetaligheid heb ik me nooit op het glibberige vlak van het Steenkolen Hollands hoeven begeven. 


Steenkolenhollands
Ik vind het geen fraaie taal. Ze combineert het Standaardnederlands met de zangerigheid die het Limburgs en het Ripuarisch eigen is (zgn. stoot- en sleeptonen). Met een zekere regelmaat worden er woorden uit het plaatselijke dialect ingevoegd en de s-klank wordt vaak een sj-: Hij sjtond op de sjtoep. Het was een soort noodtaal. Je werkte in de pijler in de mijn, de boel stond op instorten en je moest je collega uit Overijssel, Polen of Italië heel snel duidelijk maken dat hij moest wegwezen. Dan let je niet op de regeltjes. Het was een allegaartje waarmee je je in dringende gevallen in werk of sociaal leven kon redden. Dat verschijnsel is natuurlijk niet uniek voor Heerlen of de Limburgse Mijnstreek. Het komt over de hele wereld voor waar talen plotseling op elkaar stoten.



Dr. Molly
Een andere, geplandere oplossing voor dit taalprobleem werd gezocht in Neutraal Moresnet waarover ik in mijn blog Allegrenzenweg schreef. Ook hier kwamen verschillende talen bij elkaar: Frans, Duits, Nederlands en verschillende dialecten uit de streek (Limburgs en Ripuarisch). Toen het neutrale staatje werd opgericht(1816), had het 256 inwoners, in 1858 waren er dat 2572. Dit had alles te maken met de zinkmijn van Vieille Montagne. De Duitse Dr. Molly, een gezaghebbend huisarts en arts van de mijn in het plaatsje Kelmis, was een overtuigde volgeling van de vier jaar oudere Ludwik Zamenhof, die het Esperanto ontwikkelde.

Uit de Wikipediapagina over de bedenker van deze kunsttaal laat zich al lezen waarom er volgens hem behoefte bestond aan een wereldtaal:



Ludwik Lejzer Zamenhof (Pools: Ludwik Łazarz Zamenhof, Eliezer Lewi
Zamenhof
Samenhof; Esperanto: Ludoviko Lazaro Zamenhof; Nederlands ook wel: Lodewijk Lazarus Zamenhof) (Białystok, 15 december 1859 – Warschau, 14 april 1917) was een Joods-Litouwse (Poolse) oogarts, polyglot en filoloog maar werd vooral bekend als bedenker van de internationale hulptaal Esperanto. Hij was de zoon van Mordechai Mark Zamenhof en Rozalia Zofer. Zijn moedertalen waren Russisch, Jiddisch en Pools (volgens biografen A. Zakrzewski, E. Wiesenfeld) maar hij sprak ook vloeiend Duits. Later leerde hij Frans, Latijn, Grieks, Hebreeuws en Engels, hij had ook interesse in Italiaans, Spaans en Litouws.



Evenals Zamenhof vertrouwde Dr. Molly er op dat een gemeenschappelijke taal voor meer begrip zou zorgen tussen de hopeloos verdeelde naties en volkeren van die tijd. Hij wilde van zijn landje, van Neutraal Moresnet de eerste Esperanto staat ter wereld maken. Daartoe riep hij in 1908 de hele bevolking van Neutraal Moresnet op naar de zaal van de lokale schutterij te komen. Uiteraard waren ook veel Esperantisten uitgenodigd. Hij riep op een Esperanto-vrijstaat op te richten onder de naam Amikejo (Plaats van grote vriendschap). De plaatselijke mijnwerkerskapel speelde het volkslied voor de op te richten staat, de Amikejo-Mars. Intussen had hij ook al een eigen wapen en eigen postzegels voor zijn land laten ontwerpen. De vlag zou zwart-wit-blauw worden, de kleuren uit het embleem van de mijn.

Natuurlijk kwam er allemaal niets van. In 1914 begon de Eerste Wereldoorlog, een van de vele bedroevende hoogtepunten van het nationalisme. Na afloop werd België uitgebreid met Neutraal Moresnet en met zijn Duitstalige gebiedje. In Kelmis worden nog steeds cursussen Esperanto gegeven. Ik moet er maar eens een gaan volgen.

Wat mij betreft, kunnen er in ieder geval niet genoeg talen zijn. 


Toegift: Stephen Fry over taal