27 feb 2016

Teamblog



Jaren, jaren, jaren geleden moest ik van mijn middelbare school (Bernardinus College) naar een toneelstuk gaan kijken in de Stadsschouwburg van Heerlen. Huis Clos van J.P. Sartre. In dat stuk, dat zich afspeelt na de dood van de drie personages komt een wereldberoemde zin voor: "L'enfer c'est les autres". 

Wikipedia zegt daar het volgende over:
Met dit citaat, dat Sartre zware beschuldigingen heeft opgeleverd, bedoelt hij slechts dat het leven "wordt gevoeld, wordt beschouwd" door middel van de anderen; het zijn de anderen die ons bewust maken van onszelf en van de triestheid van het bestaan, en we hebben hen nodig om te bestaan. De drie protagonisten treden voortdurend met elkaar in discussie in een poging om aan hun situatie te ontsnappen, maar het is de hel die telkens opnieuw het pleit wint.

Ik weet niet zeker of ik het met deze softe uitleg van Sartre eens ben, volgens mij bedoelde de scheefgebekte filosoof gewoon wat er staat: De hel, dat zijn de anderen". Of, in het Engels: Hell is other people.

En dat laatste is dan weer een titel van de veel te weinig geprezen Nederlandse band Bettie Serveert. 



Bettie Serveert bestaat al langer dan sommige leden van ons team. Na een bescheiden beginnetje in 1986, begon het echte werk in 1990. Omdat ik in dat jaar ook al niet meer helemaal piep was, had ik in eerste instantie zoiets van: och ja, laat die jonkies, leuk. Ik kende de naam, had sporadisch iets gehoord, maar nou ja…

Pas na 2000 ontdekte ik de band voor mezelf. Dat kwam door de cd (dat is zo'n zilverkleurig rond plaatje, dat je in een apparaat kunt stoppen dat dan muziek laat horen) Log22. En van dat album dan weer vooral het nummer White Dogs.
Maar vooral kwam het natuurlijk door mezelf en allerlei gebeurtenissen in mijn leven. Daar ga ik nu niets over vertellen. Ik zal alleen een stukje uit de lyrics citeren:

I'm not your conquest, you can't conquer me
And you'll never tie me down unless you set me free.
(it's not just a word, you know)

Wat je met dit stukje tekst doet, moet je helemaal zelf weten. En ook de interpretatie van het zinnetje Hell is other People laat ik helemaal aan jou over.
(Het nummer is uiteraard te vinden op Spotify, niet op Youtube helaas, even zoeken dus.)

Zaterdag 12 maart treedt Bettie Serveert op in de ECI. Geheel tegen mijn gewoonte in wil ik mij een keer ontworstelen aan de Maastrichtse geneugten (i.c. Dianne) om samen met een stel van jullie daar eens naar toe te gaan. Gewoon voor de leut, of bij wijze van teambuilding. Nah, vergeet dat van die teambuilding, want bij concerten van goede bands ben ik altijd uitermate ongezellig, ik maak er dan namelijk een gewoonte van naar de muziek te luisteren. Tja.
Voel je tot niets verplicht, dat doe ik ook niet.



Ik hoor het wel.

21 feb 2016

Angela

Laten we eerlijk zijn. Zou u haar daar hebben verwacht? Zou u niet verbaasd zijn geweest een (deze) vrouw in mantelpakje en pumps op de stam van een omgevallen boom te zien zitten? Een omgevallen boom in het hoge gras, ongeveer tien meter van het paadje dat vanaf de voormalige grenspost naar het gehucht verderop leidde. Een paadje dat alleen door de bewoners van de drie aangelegen huizen gebruikt werd en door een enkele verdwaalde wandelaar of fietser.  
Natuurlijk zou ook u verbaasd zijn geweest. En ook u zou hebben gevraagd of de vrouw hulp nodig had. Ze zat zo onhandig op de stam waarvan de meeste bast door weer, wind en passanten verwijderd was. 
Omdat de stam niet helemaal horizontaal lag, helde de vrouw een beetje naar links, maar niet zo erg dat ze met haar hand steun moest zoeken. Haar handen lagen op de handtas in haar schoot. 
Het zou overal een vreemd gezicht zijn geweest. Het lag niet aan Köpfchen, de grensovergang tussen Aken en het Belgische Raeren. 

Ik zag meteen dat zij het was. Ik noemde haar naam. Zij knikte. Zware oogleden, haar lippen licht bitter. Zartbitter was een beter woord, bedacht ik, als chocolade. Ik vroeg of ze hulp nodig had. Ze haalde een schouder op. Of ze iets wilde eten? Weer die schouder. Ik nam haar bij de linkerhand en leidde haar voorzichtig naar het smalle paadje. Het leidde ons tegen het talud omhoog naar de grote weg. Ze vroeg of we al in België waren. Ik wist het niet, maar wees naar de friture een kleine tweehonderd meter verderop. "Die is Belgisch, dat weet ik zeker, maar waar de grens precies loopt? Geen idee." 

Ik kneep zachtjes in haar bezwete hand. Het komt goed, wilde ik zeggen, maar ik keek alleen hoe ze me moeilijk lopend en lichtgebogen volgde. Toen ik weer naar de friture keek, leek die verder weg. Ik zocht naar schuilmogelijkheden langs de kant van de weg. We konden ons -als een auto ons achteropkwam- van het talud naar beneden, de weilanden in laten rollen. Maar er was geen verkeer. 

Ik vertelde haar hoe we dadelijk in mijn auto zouden stappen, beschreef de route. Van de grens, door de Voerstreek naar Moelingen en daar de grens over naar Eijsden. Als ze wilde, zou ik haar daar op het stationnetje afzetten. Dan kon ze van daaruit naar Den Haag. Of ik kon haar in Maastricht afzetten. Had ze geld? Ze knikte. 
Ik opende het portier. Ze stapte in. Vanuit de friture vier ogen. Ze verborg haar gezicht in het handtasje in haar schoot. 

Op het perron van station Eijsden kuste ik haar en wenste haar succes in Den Haag. "Groeten aan Mark." zei ik zo luchtig mogelijk. Ze liet mijn hand los, maar stapte niet in. "Hoe ver is Maastricht?"  vroeg ze. "Kilometer of tien". 


Ik parkeerde voor mijn deur. Jullie omsingelden de auto, zeiden mij uit te stappen, naar binnen te gaan. De volgende dag las ik het bericht.

23 jan 2016

Snökuken

Het beste bericht van dit jaar is binnen. Gelukkig al vroeg, zodat we 2016 goed door kunnen komen.
Ik hoorde het bericht op Radio 1 toen ik van mijn werk naar huis en naar het weekend reed. Ik zal het verhaal hier kort noteren voor de mensen die er nog niet van gehoord hebben via de social media, waar het deze middag trending was. Het gaat over Snökuken oftewel een sneeuwpenis. Die penis was te vinden in Göteborg.
Ik weet niet wie de eerste versie heeft gemaakt op een of ander meertje in die stad. Maar omwonenden namen er aanstoot aan. En zo werd het al een soort kunst. De gemeente werd gebeld en besloot dat de stad niet geassocieerd moest worden met deze ijskoude fallus. De brandweer werd op pad gestuurd, maar moest al gauw melden dat het ding niet verwijderd kon worden. Het ijs waarop de afbeelding te vinden was, was veel te dun geworden. Een glazenwassersbedrijf bood uitkomst: met een lange glazenwassersborstel werd het geval weggepoetst. 
De penis had intussen wel een redelijk grote schare fans weten te verzamelen. Die zetten hun bezwaren tegen deze beperking van de vrijheid van meningsuiting massaal op allerlei social media, o.a. Facebook. De glazenwasser ontdekte dat en besefte dat hij een ernstige fout had gemaakt. Hij reageerde op de Facebookpagina die was geopend om het verlies van het kunstwerk te betreuren. Hij betuigde zijn spijt. Hij noemde de originele sneeuwpik kunst, merkte op dat kunst nooit verwijderd mag worden en beloofde iets te doen aan het probleem. Hij nam een handig sneeuwblazertje mee naar een veldje aan de rand van de stad en vormde zo een nog veel grotere en betere penis.

Deze man (Emilian Sava) verdient een standbeeld. Niet om de afbeelding van de gigantische penis (geschat op zo'n 100m lengte), helemaal niet om het verwijderen van de eerdere kleinere versie (ca 10m) van een broeder in de kunst waarvan hij waarschijnlijk ook de naam niet wist. Nee, omdat hij binnen een paar dagen een reis heeft gemaakt. Een wereldreis. 
In den beginne was hij waarschijnlijk een eenvoudige glazenwasser die een kans zag bij de gemeente Göteborg in the picture te komen. "Ik ruim die rotzooi wel voor jullie op! Denken jullie aan me als er nog ramen te lappen vallen?" Hij liet zijn werkzaamheden filmen. Dat filmpje zou hij op Facebook zetten, misschien leverde het hem ook nog andere klanten op.

Thuisgekomen vertelde hij zijn vrouw over zijn belevenissen van die dag. "Weet je wat ik vandaag gedaan heb? Ik heb die pik weggehaald van die vijver! Leuk he?" 'Leuk." zei zijn vrouw. 
Die avond plaatste hij het filmpje en keek nog wat rond op Facebook. Hij ontdekte de commotie. Zijn geweten begon te knagen. Hij stelde zich talloze mensen voor die langs dat vijvertje hadden gewandeld, daar een grote Snökuken hadden ontdekt, en een grijns, of op zijn minst een glimlach niet hadden kunnen onderdrukken. Schuld knaagde. En schuld, dat weten we, is de basis van alle kunst. Hij sliep slecht die nacht.

Fröken (zijn vrouw) voelde die nacht al gauw een zekere koelte in bed. Emilian was al opgestaan, ze hoorde hem rommelen in het schuurtje achter in de tuin, ze hoorde hoe hij zijn auto startte, 'Ik hou van je, gek,' mompelde ze en draaide zich nog eens om.

In de vroege ochtend vormde Emilian de nieuwe sneeuwpik. Ook deze activiteit liet hij filmen. Ook dit filmpje wilde hij op Facebook zetten, maar met een andere, een betere intentie. Dit was kunst, wist hij. Kunst en bescherming, verdediging van kunst. Deze pik had een boodschap. controversieel misschien, maar een boodschap. De vrijheid van menigsuiting natuurlijk: als iemand een pik wilde tekenen in de sneeuw dan moest dat kunnen. Maar het ging verder. Het had ook te maken met de nieuwste ontwikkelingen in zijn land en in Europa. De toegenomen onverdraagzaamheid, de groeiende angst. En van de andere kant het allerzijds toegenomen onbegrip voor vrijheden die hier zo lang normaal waren geweest. 
Hij vermoedde dat een honderdvijftig meter grote erecte penis niet door iedereen zou worden begrepen als een symbool van liefde en begrip. Maar kunst, dacht hij, is nooit eenduidig. 

Intussen floreert Emilians bedrijf. Iedereen belt of mailt hem. Tv en radio, kranten, bloggers. Hij neemt mensen in dienst. Geld stroomt binnen. Hij gaat met Fröken naar het duurste restaurant van de stad, waar een kogelregen door het raam een einde maakt aan hun levens.
De daders zijn nooit gevonden.


Maar nee, zo gaat het niet. Emilian, mijn Emilian en zijn Fröken leven nog, alle drie, natuurlijk. Want dat verdienen ze, al bestaat alleen de eerste. Dit zijn de verhalen die blijven, moeten blijven. Dit zijn verhalen waarin is nagedacht en die (daarom) een eind maken aan de idiotie van de extremen.


Het filmpje





15 nov 2015

Grenstaal



Het leuke van een taal is dat ze zich weinig aantrekt van landsgrenzen. Weinig, niet niks. Als ik hier in Maastricht de grens naar België oversteek en bijvoorbeeld een praatje maak met een inwoner van Heukelom dan kan ik dat meestal doen in het Maastrichts. De dialecten lijken zoveel op elkaar dat er geen misverstanden mogelijk zijn. Vaak zijn de enige verschillen die ik hoor – als niet-native speaker van het Maastrichts – de omkering van de uitdrukking ‘vast en zeker’ naar het Vlaamse ‘zeker en vast’ en het Vlaamse stopwoordje ‘se’. Met Vlaams bedoel ik dan de taal zoals die in geheel Vlaanderen gesproken wordt, het Belgisch-Nederlands of Zuid-Nederlands. Wikipedia zegt daar het volgende over: 


Het Vlaams wordt momenteel niet als officiële taalbenaming erkend, hoewel die benaming officieus wijd verspreid is. Volgens velen is het Vlaams erg verschillend van het in Nederland gesproken Nederlands, en ook van het Standaardnederlands zoals officieel vastgesteld door de Nederlandse Taalunie. Het “Vlaams” (of "Zuid-Nederlands") verschilt van het "Noord-Nederlands" op het gebied van uitspraak, woordenschat en zinnen.


Limburgs (Lichtblauw is Ripuarisch in Nederland)
In België wordt het Belgisch-Limburgs dan een Vlaams dialect genoemd. Het Nederlands-Limburgs in Nederland een Nederlands dialect. Maar als je het zo naast elkaar zet, ziet iedereen natuurlijk dat dat onzin is. Aan beide zijden van de grens wordt Limburgs gesproken. Aan de ene kant met steeds groeiende Vlaamse en aan de andere kant met een steeds groeiende Nederlandse invloed. Heel langzaam is hier een soort taalgrens aan het groeien. Een taalgrens van een heel andere orde dan die tussen Vlaanderen en Wallonië, maar toch een scheiding. Het Limburgs is in Nederland, België en Duitsland een minderheidstaal.



Als je vanuit Maastricht zo’n 30 kilometer naar het oosten gaat, steek je weer
Ripuarisch (blauw)



een taalgrens over, nu die tussen het Limburgs (= Südniederfränkisch) en het Ripuarisch of Nordmittelfränkisch. Tot die dialectgroep behoren bijvoorbeeld het Kölsch en het Öcher Platt (Keulen en Aken) maar ook het Kerkraads en het Vaals’ (Kirchröatscher en Volser plat). Het Limburgs is voor de meeste Nederlanders nog wel redelijk te volgen. Het Ripuarisch meestal niet. Zelf versta ik het goed, maar het spreken kost vrij veel moeite.

Als illustratie plaats ik hier een citaat uit de Ripuarische Wikipedia: 


Ripoarėsch Sprooche eß enne Bovverbejreff för Sprooche ussem Rhingland uß dä Jääjend zwesche St. Vith, Aahwieler, um Kirchroa, Nüss, Düsseldorf, Jläbbisch, Waldbröl, Siburg, Remaren, met Oche, Bonn un Kölle dren. Et jitt enne Houfe Ripoarėsch Sprooche, jood mii wi 120, un fass övverall sin se sesch jannz äänlėsj, wenn et de Nohpere sin, un de Ungersheed weede emmer jrüüßer, wënn_se wigger usseneeijn sinn. Esu jet weed og e Dijalekskontiinuum jenannd.


Ook deze taal wordt dus in drie landen gesproken: Duitsland, België en Nederland, maar ze gaat in al die landen ook steeds verder achteruit, zoals dat nu eenmaal gaat met dialecten. Is dat erg? Wat onvermijdelijk is, kun je misschien beter niet erg vinden. Vervelend is wel dat dit dialect, zoals zo veel andere, inmiddels verwordt tot het brabbeltaaltje van carnavalisten en vroegerfetisjisten, waardoor nieuwe teksten in die taal meestal niet verder komen dan stompzinnig geneuzel en Vrujjer woar alles besser.



Taal is het middel bij uitstek om mensen te verbinden, al lijkt het vaak net de andere kant op te worden gebruikt. Zeker in de tijden van de natiestaat was (en is) taal een belangrijk middel tot eenwording binnen de grenzen en tegelijkertijd een afgrenzing naar buiten. Doordat de contacten en de mobiliteit binnen die natiestaten groeiden, ontstond er een soort standaardtaal. Op dialecten daarvan (of dat nou een correcte term voor de taal uit een bepaalde streek was of niet) werd neergekeken. Het was en is de taal van de achtergeblevenen.



In die tijd werd Heerlen het centrum van de kolenwinning en de bijbehorende industrie. Tot die tijd werd in Heerlen natuurlijk ook een dialect gesproken, een soort mengvorm tussen het Limburgs en het Ripuarisch, of misschien moet ik zeggen Limburgs met Ripuarische invloeden. Er zijn niet meer veel Heerlenaren die die taal beheersen. Dat komt doordat uit alle delen van Nederland, vooral uit de armere natuurlijk, mensen kwamen toestromen om hier te werken. Ook uit verschillende buitenlanden (Polen, Italië) werden mensen aangetrokken. Dat vroeg natuurlijk om een gemeenschappelijke taal. Dat werd het Steenkolen Hollands waar Heerlen nog steeds bekend om staat. Zelf ben ik min of meer tweetalig opgevoed. Thuis spraken we dialect. Mijn grootvader sprak Nederlands (de Overijsselse variant), mijn vader en zijn broers spraken onderling Nederlands. Met zijn zus sprak hij dan weer dialect. Op school spraken en leerden we Nederlands. Door die tweetaligheid heb ik me nooit op het glibberige vlak van het Steenkolen Hollands hoeven begeven. 


Steenkolenhollands
Ik vind het geen fraaie taal. Ze combineert het Standaardnederlands met de zangerigheid die het Limburgs en het Ripuarisch eigen is (zgn. stoot- en sleeptonen). Met een zekere regelmaat worden er woorden uit het plaatselijke dialect ingevoegd en de s-klank wordt vaak een sj-: Hij sjtond op de sjtoep. Het was een soort noodtaal. Je werkte in de pijler in de mijn, de boel stond op instorten en je moest je collega uit Overijssel, Polen of Italië heel snel duidelijk maken dat hij moest wegwezen. Dan let je niet op de regeltjes. Het was een allegaartje waarmee je je in dringende gevallen in werk of sociaal leven kon redden. Dat verschijnsel is natuurlijk niet uniek voor Heerlen of de Limburgse Mijnstreek. Het komt over de hele wereld voor waar talen plotseling op elkaar stoten.



Dr. Molly
Een andere, geplandere oplossing voor dit taalprobleem werd gezocht in Neutraal Moresnet waarover ik in mijn blog Allegrenzenweg schreef. Ook hier kwamen verschillende talen bij elkaar: Frans, Duits, Nederlands en verschillende dialecten uit de streek (Limburgs en Ripuarisch). Toen het neutrale staatje werd opgericht(1816), had het 256 inwoners, in 1858 waren er dat 2572. Dit had alles te maken met de zinkmijn van Vieille Montagne. De Duitse Dr. Molly, een gezaghebbend huisarts en arts van de mijn in het plaatsje Kelmis, was een overtuigde volgeling van de vier jaar oudere Ludwik Zamenhof, die het Esperanto ontwikkelde.

Uit de Wikipediapagina over de bedenker van deze kunsttaal laat zich al lezen waarom er volgens hem behoefte bestond aan een wereldtaal:



Ludwik Lejzer Zamenhof (Pools: Ludwik Łazarz Zamenhof, Eliezer Lewi
Zamenhof
Samenhof; Esperanto: Ludoviko Lazaro Zamenhof; Nederlands ook wel: Lodewijk Lazarus Zamenhof) (Białystok, 15 december 1859 – Warschau, 14 april 1917) was een Joods-Litouwse (Poolse) oogarts, polyglot en filoloog maar werd vooral bekend als bedenker van de internationale hulptaal Esperanto. Hij was de zoon van Mordechai Mark Zamenhof en Rozalia Zofer. Zijn moedertalen waren Russisch, Jiddisch en Pools (volgens biografen A. Zakrzewski, E. Wiesenfeld) maar hij sprak ook vloeiend Duits. Later leerde hij Frans, Latijn, Grieks, Hebreeuws en Engels, hij had ook interesse in Italiaans, Spaans en Litouws.



Evenals Zamenhof vertrouwde Dr. Molly er op dat een gemeenschappelijke taal voor meer begrip zou zorgen tussen de hopeloos verdeelde naties en volkeren van die tijd. Hij wilde van zijn landje, van Neutraal Moresnet de eerste Esperanto staat ter wereld maken. Daartoe riep hij in 1908 de hele bevolking van Neutraal Moresnet op naar de zaal van de lokale schutterij te komen. Uiteraard waren ook veel Esperantisten uitgenodigd. Hij riep op een Esperanto-vrijstaat op te richten onder de naam Amikejo (Plaats van grote vriendschap). De plaatselijke mijnwerkerskapel speelde het volkslied voor de op te richten staat, de Amikejo-Mars. Intussen had hij ook al een eigen wapen en eigen postzegels voor zijn land laten ontwerpen. De vlag zou zwart-wit-blauw worden, de kleuren uit het embleem van de mijn.

Natuurlijk kwam er allemaal niets van. In 1914 begon de Eerste Wereldoorlog, een van de vele bedroevende hoogtepunten van het nationalisme. Na afloop werd België uitgebreid met Neutraal Moresnet en met zijn Duitstalige gebiedje. In Kelmis worden nog steeds cursussen Esperanto gegeven. Ik moet er maar eens een gaan volgen.

Wat mij betreft, kunnen er in ieder geval niet genoeg talen zijn. 


Toegift: Stephen Fry over taal




13-11-2015

zullen we de haat maar aan de weg gaan zetten, jij en ik
bij het vuil dat er al jarenlang te rotten ligt
en zullen we erbij gaan zitten
zoals we zaten op die dag van opgetrokken benen

zullen we schuchter lachen naar elkaar
en hopen dat de zware mannen van de ophaaldienst
vergeten dat jij het bent 
en ik (een beetje)

en zullen we als we hun ruggen zien
koude schouders warmen aan elkaar
en dan de stad ingaan
het licht?





10 nov 2015

Winnetou V: de erfenis van Pierre Brice

In het kader van de onsterfelijkheidsbevordering kan ik het niet laten nog eens enige aandacht te besteden aan Winnetou. Nou ja, aan Pierre Brice dan, want die is in het afgelopen voorjaar overleden. Op 6 juni om precies te zijn. In mijn laatste Winnetou-blog schreef ik over hem. (Zie de links hiernaast.) Hij werd 86. Hij stierf met hoge koorts aan de gevolgen van een longontsteking. Misschien heeft zijn echtgenote nog wel het Ave Maria van Karl May opgezet. Ik hoop het.

Toen ik op nu.nl over zijn dood las, voelde ik niet de behoefte daar een blog aan te wijden. Ik meldde het op Facebook, met een verwijzing naar mijn blogs erbij. Lijkenpikkerij, natuurlijk. Meer dan een heel vage weemoed kwam er niet aan te pas. Maar op 7 november 2015 stond  er weer een bericht op nu.nl. Nu over de erfenis van Pierre Brice. 
Veel van zijn bezittingen werden geveild. De opbrengst gaat naar een goed doel. Zijn doopkleding werd volgens het bericht verpatst voor 460 Euro, een zelfgeknutselde duikboot voor 550 Euro.
Er was veel interesse voor de befaamde Zilverbuks. En daarin ben ik ook wel geïnteresseerd. Niet zozeer om het ding te kopen, maar gewoon om te weten hoe het met het ding gaat. Dus tikte ik het woord in bij Google: Silberbüchse. En zo kwam ik al snel op de site Silberbüchse – Förderverein Karl-May-Haus e. V. die opent met de zin: 

Winnetou lebt!

En zo is dat.
De vereniging steunt het Karl-May-Haus (geboortehuis) in Hohenstein-Ernstthal, vlak bij Chemnitz in Sachsen in het oosten van Duitsland. Een van de eerste zaken die me opvalt op de site is het plaatje hiernaast: 

Karl May lebt.

Blijkbaar gaat er nooit iemand dood. Behalve Pierre Brice dan. Hoewel…

Op geen van beide sites kwam ik een bericht tegen over de dood van Pierre Brice en al helemaal niet over de veiling. Dat zal er ongetwijfeld mee te maken hebben dat echte Karl-May-adepten de boeken kennen en waarderen en de films veel minder, want minder overlatend aan de fantasie. 
Ik reken mezelf niet tot de Karl-May-adepten. Hoewel ik veel van hem gelezen heb, kan ik ook van de films genieten, al vond ik de verschillen tussen de twee vertolkingen van het verhaal ook toen altijd al in het nadeel van de film uitvallen. Maar ik had de boeken dan ook gelezen voor ik de films zag. En nog belangrijker, denk ik: ik zag de films op een latere leeftijd. Op een leeftijd dat ik met andere literatuur begonnen was. Met Mulisch, Hesse en Brecht. Ik zag de films op verveelde zaterdagavonden of zondagmiddagen, ik doodde de tijd met Winnetou en schaamde me licht voor de slechte smaak die ik aldus tentoonspreidde. Ik huilde bij de dood van Nsho-Tshi en bij die van het grote opperhoofd zelf, maar wreef mijn ogen stiekem droog opdat mijn anderhalf jaar oudere broer en zijn eerste vriendin mijn kinderlijke zwaktes niet zouden ontdekken. 

Maar goed, daar hadden we het allemaal niet over. We hadden het over de Zilverbuks, althans daar wilde ik het over hebben. Intussen heb ik ontdekt dat de Zilverbuks die op de veiling van eigenaar zal wisselen niet een van de buksen uit de films is, maar een Winchester die Pierre Brice heeft laten bewerken voor zijn optredens in de Karl-May-Festspiele in Elspe. Dat leerde ik uit het interview met Brices weduwe Hella dat de Frankfurter Allgemeine Zeitung op 6 November) publiceerde. Op de foto zie je haar met het bewuste exemplaar.


Een interview in de FAZ! 
Naar aanleiding van en over een veiling van parafernalia die bij de enige belangrijke rol hoorden die een redelijk middelmatige acteur ooit speelde. 

En weer vraag ik me af welke zenuw het nu precies was die Karl May, Winnetou en Pierre Brice raakten bij zoveel Duitsers. En -ondanks de veranderende tijdgeest en hormonenhuishouding- ook bij mij. 
Het was een soort romantiek natuurlijk. De twijfelachtige romantiek van de hele, duidelijke wereld waarin goed en kwaad door strakke lijnen gescheiden werden. Maar ook de akelige romantiek waarin het kwaad vaak (maar zeker niet alleen) vertegenwoordigd werd door exotische (halve) wilden, waarin de meeste 'normale' mensen vooral erg dom waren en waarin de hoofdpersoon (en dat was niet Winnetou, maar Old Shatterhand) de verteller was die de waarheid in pacht had. Old Shatterhand hield van zijn Indiaanse vriend, hij vond hem de meest edele mens die hij ooit had ontmoet, maar hij was degene die hem bij tijd en wijle richting moest geven. Winnetou was een nobele wilde die door Old Shatterhand uiteindelijk op het juiste Christelijke spoor werd gezet. 
Ik herinner me, dat de arrogantie van Schar-lih, zoals Winnetou zijn vriend aansprak, me ook bij de eerste lectuur al tegen de borst stuitte. Maar ik bleef lezen. Blijkbaar aanvaardde ik toen irritante autoriteit. En blijkbaar was ik niet de enige die dat deed. Old Shatterhand was een soort leraar.



Karl May was ook leraar. Althans in het begin van zijn carrière. Hij werd ontslagen toen hij (in de woorden van de site van het Karl-May-Haus) een horloge zonder toestemming gebruikte, hetgeen als diefstal werd uitgelegd en waarvoor hij zes weken moest zitten. Het geldgebrek dat het gevolg was van zijn ontslag, dwong hem tot meer diefstallen, waarvoor hij in totaal zo'n acht jaar het gevang in moest. Tijdens verschillende pogingen uit de handen van justitie te blijven schijnt hij zich regelmatig te hebben verstopt in wat nu bekend staat als de Karl-May-Höhle. Het is geen grot maar een verlaten mijn, die voor zijn herbenoeming gewoon 'Eisenhöhle' heette. Het onderstaande filmpje laat de grot zien, of eigenlijk vooral niet zien, want het is er erg donker.





Deze wetenswaardigheden heb ik gevonden op de site van de Karl-May-Stiftung en van die site zal ik hieronder een stukje tekst citeren. Ik weet niet wie het geschreven heeft (geen zin het op te zoeken), maar het is een fraai stukje onverteerbaar Duits proza. Een zin waarvan je denkt: gebruik nou toch eens een punt in plaats van een komma. Haal eens rustig adem. Het stukje gaat over de grot en de reden waarom Karl May zich daar verstopte, maar het behandelt meteen maar een aantal van de misdaden die hij beging terwijl hij in die grot woonde en de dorpjes waarin die plaatsvonden.

Nach seinen Auftritten als "Falschgeldfahnder" in Wiederau bei Burgstädt und Ponitz bei Meerane, als Pferdedieb in Bräunsdorf bei Hohenstein und vor dem Diebstahl der Billardkugeln im Restaurant von Viktor Reinhard Wünschmann in Limbach (Sachsen) sowie dem Auftritt im Hause des Bäckermeisters Wappler in Mülsen Sankt Jacob bei Zwickau, die nach seiner Aufgreifung am 4. Januar 1870 in Niederalgersdorf in Nordböhmen zu seiner Verurteilung durch das Bezirksgericht Mittweida am 13. April 1870 führten, suchte und fand Karl May Unterschlupf und Versteck in der im Oberwald nördlich von Hohenstein-Ernstthal gelegenen "Eisenhöhle", um der Suche der Hohensteiner Polizei und ihren zivilen Helfern zu entgehen.

Eenmaal uit de gevangenis begon hij te schrijven. Maar daarover later misschien meer.
Belangrijk aan zijn periode in de gevangenis is nog dat hij hier toenadering vond tot het katholicisme. En dat leidde er later weer toe dat hij zijn grote ster Winnetou liet sterven onder de klanken van zijn eigen 'Ave Maria'.

Genoeg, voor deze keer. Meer info over de Zilverbuks heb ik nog niet gevonden, ik weet ook nog niet hoeveel ze bij de veiling heeft opgebracht. Ik wil waarschijnlijk nog wel iets meer vertellen over Karl May, en over Pierre Brice en zijn vrouw, waarvan ik eergisteren een interview las over die veiling en over haar man. En over de talloze sites die met Karl May te maken hebben. 
Ik heb in ieder geval weer genoten van een zwerftocht door de krochten van het internet. En uiteindelijk als ik klaar ben met mijn zoektocht naar Winnetou, naar zijn schepper en naar zijn vertolker, zal ik -als neveneffect- meer weten over mezelf. 
Niet dat het me daarom te doen is. Zo interessant ben ik niet. Maar ik hoop dat ik later, op de eeuwige jachtvelden, af en toe een zacht 'ping' hoor als iemand een van mijn blogs aanklikt over het Grote Opperhoofd der Apachen.



29 okt 2015

Karel in Berlin



Er war ein richtiger Romantiker. So'n altmodischer, mit viel Tod im Kopf. Das erste was er mich gefragt hat, war ob ich mit ihm auf die Pfaueninsel gehen wolle. Das wollte ich. War ja selber noch nie da gewesen, obwohl ich ja ein 'richtiget Berliner Jöhr' bin. So nannte er mich, der Holländer. Das gefiel ihm. 
Er mochte das sowieso, das altberlinerische, das Berlin vom Zille und so. Seine Lieblingskneipe war ja auch das Zille-Markt in der Bleibtreustraße. Die Bleibtreustraße! Da war ich zuvor auch noch nie. 
Das ist schon komisch wenn so'n Tourist einem sagt was es alles zu tun gibt in Berlin. 
Ich war richtig froh als er mir vom Schwarzen Café erzählte, an der Kantstraße, das kannte ich, das habe ich 1990 besucht. Da war ich zwanzig. Er hat es früher besucht, 80 oder 81, er wusste es nicht genau. Da konnte ich ja überhaupt noch nicht da gewesen sein, wohnte ja originell am Müggelsee. Später bin ich dann zum Karl nach Mitte gezogen und da wohne ich jetzt immer noch.

Als der Karl dann 2011 gemeint hat, er brauche etwas jüngeres, hab' ich ihn in Spandau besucht, bei seiner Nutte. Ach, nein, sie war keine Nutte, sie war ein nettes Mädchen, dass wahrscheinlich zum ersten mal richtig verliebt war. Aber jetzt lebte sie da in ihrer Einzimmerwohnung mit so'nem Typ der zwar nicht groß, aber größer und versorgter gewohnt war. Das Mädchen tat mir Leid.

In dieser Zeit hatte ich schon meine erste Kontakte mit Karel. Im Internet. Das war schön. Zwei Welten, und so. Aber das mit den Namen, das war schon komisch, natürlich. Karl und Karel. Das extra -e- gefiel mir, aber ich hab mich von Anfang an gefragt, ob das auch etwas bringt, so'n extra -e-. 

Nein, das bringt nichts, weiß ich jetzt, und wusste ich eigentlich auch damals schon. Außer einem schönen Tag und einer herrlichen Nacht. Die hatten wir. Und darum hasse ich ihn jetzt. Das war der Schnitt in unserem Verhältnis. Nein, das war unser Verhältnis. Vorher war es schön, und Hoffnung, und verliebt und verloren in seinen Augen. Nachher war er weg und habe ich ihn nie mehr gesehen oder gesprochen. Die E-Mails, die SMS die ich ihm nach seiner Berlinreise geschickt habe, wurden nicht mehr zugestellt, die Adresse, die Nummer stimmte nicht, gab es nicht, nicht mehr, war non-existent.

Aber in den paar Tagen zwischen unserer letzten E-Mail und seiner Abreise aus Berlin haben wir gelebt, geliebt; geliebt und  … Scheiße. Im Nachhinein war alles Scheiße. 

Aber gut, wenn Sie jetzt so fragen, und auch ganz aus Holland hierher gekommen sind, dann will ich mal nicht so sein. Da werde ich die Geschichte nochmal erzählen, na ja, nochmal stimmt eigentlich nicht, ich habe bisher keinem etwas erzählt vom Karel. Weil ich mich ein bisschen schäme eigentlich für das Ganze. Meine Freundinnen lachen mich aus wenn ich denen erzähle dass ich mich übers Internet in jemanden verliebt habe. Die finden das sowieso blöd dass ich so viel on line bin. Jetzt mach ich das auch nicht mehr, so auf Dating Sites, einsame Herzen und so'n Kram. Ich geh jetzt öfters mit der Angelika Tanzen oder in die Kneipe oder so. Da gibt's ja auch Männer, nichtwahr? Und so ab und zu, schätze einmal im Monat, nehme ich dann einen mit zu mir nach Hause. Und das genügt dann.

Aber mit dem Karel war das also alles ganz anders. Wir haben uns auf irgendeiner Seite kennengelernt, haben E-Mailadressen ausgetauscht und da hat er mich in langen E-Mails sein ganzes Leben erzählt. Einfache, nette Geschichten aus seiner Jugend zuerst, über seine Eltern, seine Schwester. Na ja, was man eben so erzählt. 
Auch ich habe ziemlich lange Mails geschrieben am Anfang. Meine Jugend im Osten, das fand er schrecklich interessant. Wie was denn dies? Wie war denn das? Schrecklich viele Fragen hat er gestellt. Aber nach fünf, sechs so langen Mails hat er weniger Fragen gestellt und mehr erzählt. Über die Scheidung in die er jetzt verwickelt sei, wie er jetzt wohnte, alleine in einer viel zu teuren Wohnung und wie er sich schuldig fühlte, weil es seiner Frau jetzt eigentlich recht dreckig ginge. Aber ihm auch, wenn er so alleine in einem alten Bett schlafen wollte, aber nicht konnte und dass er sich nach einem warmen Körper sehne an dem er sich kuscheln könne und der sich ja auch an ihm … und so weiter, und so weiter. 

Kurz: ich bin drauf reingefallen. Ich hoffe Sie verstehen, dass ich keine Lust habe das alles ganz detailliert zu erzählen. Es dauerte nicht lange da haben wir geskypet. Und dabei bin ich weiter gegangen als ich für möglich gehalten habe. Ich bin ja nicht prüde und ich habe immer vom Sex genießen können, aber diese Art von Sex kannte ich nicht. So von Bildschirm zu Bildschirm. 

Aber gut, wir haben uns so kennengelernt. Besser: er hat mich kennengelernt, ich ihn kaum, weiß ich jetzt. Und dann hat es auch nicht mehr lange gedauert, bis er sagte, er komme in der nächsten Woche mal wieder nach Berlin und bei der Gelegenheit wolle er mich dann besuchen. Er habe schon ein Zimmer reserviert in Hotel Mitte an der Neuen Schönhauserstraße. Nein, nein, ein Hotel wäre besser, meinte er. Das gäbe ja nur extra Druck, wenn er bei mir, und so. Das wäre nicht gut, sagte er, wir kannten uns ja eigentlich noch gar nicht. Das fand ich schön, dass er das sagte, obwohl es natürlich auch schon komisch war, weil wir uns ja schon mehrmals nackt gesehen hatten und allerhand Unsinn gemacht. Zwar nur über unsere Laptops aber dennoch. 
Außerdem, meinte er, hätten wir dann beide die Wahl. Das fand ich dann auch.

Als er dann aus dem Zug stieg und mich keusch küsste, flüsterte er dass er zur Pfaueninsel wolle. 'Jetzt?'
'Ja, jetzt gleich. In zehn Minuten fährt die S7.'
Während der Fahrt erzählte er über seinen ersten Besuch an der Insel. Vor vielen, vielen Jahren (sagte er) fuhr die Fähre ihn hinüber. Und gleich beim betreten der Insel habe er es gespürt: auf dieser Insel werde er seine große Liebe finden. Die Pfauen, der Schloss, das Zwillingshaus, hier gäbe es die Zutaten des Glücks. Und dabei strahlten seine Augen so klar, dass ich keine Wahl hatte, dass ich keine Wahl mehr wollte, dass es nur noch eines gab: Die Pfaueninsel. Mit ihm.

Ich könnte mich ja jetzt verteidigen und sagen, dass schwere Zeiten hinter mir lägen, dass ich jetzt meine Portion Glück verdiente und solchen Kram. Und um ehrlich zu sein: ich habe es mir gesagt, noch während der Fahrt mit der S7. Aber ich wusste auch, dass es Unsinn war. Ich bin immer zu nüchtern gewesen für solchen Quatsch. Nur als Traum stimmte es. 

Was wir alles gemacht haben auf der Pfaueninsel erzähle ich Ihnen nicht. Das ist zu privat und für einige Sachen schäme ich mich eigentlich auch ein bisschen. Wir sind die Nacht auf der Insel geblieben. Klar. Und mir kommt es immer noch als eine Art von Vorschau auf dem Himmel vor. Aber am nächsten Vormittag sind wir dann mit der Fähre zurück. Im Wirtshaus zur Pfaueninsel haben wir gefrühstückt.Viel, viel Kaffee und Rührei mit Schinken und Zwiebeln. Beim Essen haben wir nicht viel geredet, mir war es wolkig im Kopf. Und Karel wohl auch. 

'Und jetzt?' fragte ich.
'Ich muss kurz zurück.'
'Zurück?'
'Ins Hotel', sagte er noch schnell, aber in dem Moment wusste ich, dass die vergangene Nacht nicht gewesen war. 

Auf dem Hauptbahnhof musste er pinkeln. Und ich ging in die Damentoilette. Als ich fertig war, sah ich ihn nicht. Ich wartete ein paar Minuten. Er kam nicht. 
Bei der Auskunft erfuhr ich, dass in drei oder vier Minuten von Gleis ???? ein Intercity nach Köln abfahren würde. "Wenn Sie schnell sind dann holen Sie den Zug vielleicht noch, hier die Rolltreppe hoch und dann …" Ich hatte mich schon umgedreht. Ich rannte nicht, ich ging die Rolltreppe nicht hoch. Ich setzte mich auf eine Bank und schaute mich die Leute an. Die einen gingen nach links, die anderen nach rechts. Ich saß nur und wartete nicht.
Ich nahm mein Handy aus meiner Hosentasche, suchte seine Nummer und textete:
'Ich wusste nichts von deinen Ufern' aus dem Nina Hagen Song.

Ich bekam keine Antwort. Nie. Nie mehr hörte ich von ihm, über ihn. Bis jetzt. Von Ihnen. Ich weiß ja auch gar nicht, wie Sie mich gefunden haben und überhaupt, warum Sie mich gesucht haben. Will ich auch gar nicht wissen. Ich möchte nichts mehr über ihn hören. Sie haben mir schon zu viel erzählt. Na ja, können Sie natürlich auch nichts dafür. Ich will ja auch gar nicht wissen, worum Sie meine Geschichte hören wollten, sagen Sie es nicht, bitte. Auch jetzt nicht.


Ich weiß jetzt, dass er tot ist. Das hätte ich lieber nicht gewusst. Jetzt ruft die Pfaueninsel. Verstehen Sie das? Jetzt zieht's mich hin und ich will mich erinnern. Aber ich will mich nicht erinnern wollen. Ich will morgen mit der Angelika in die Kneipe. Uns ein paar Jungs suchen und so weiter. Schade eigentlich, dass Sie heute wieder zurückfahren nach Holland. Ja, schade. Besser, aber trotzdem schade.